Heimwee

345. Woensdag na de Twintigste Zondag na Pinksteren

Aan Babels stromen,
daar zaten wij en weenden,
als wij Sion gedachten.
Aan de wilgen die daar stonden
hadden wij onze citers gehangen.
Want die ons gevangen hielden
eisten van ons een lied
en die ons pijnigden begeerden vermaak:
„Zingt ons van Sions liederen!”
Ach, hoe zouden wij ’s Heren liederen zingen
op vreemde bodem?
Zo ik u, Jerusalem vergeet,
verdorre mijn rechterhand! —

Zo klinkt de aanhef van het aangrijpende lied der ballingen ( Ps.136, 1–5 ) welks eerste vers in het offertorium van de Zondag is opgenomen. Deze psalm vertolkt, sidderend van oosterse hartstochtelijkheid, de smart der Joden, die gedeporteerd waren naar Babylonië, het vreemde, vlakke land met zijn stromen en kanalen, zo verschillend van de dierbare bergen van Juda. Hun bewakers, belust op exotische muziek, hadden geëist dat zij, zichzelf begeleidend met hun geliefd snarenspel, nationale liederen zouden doen klinken. Zij weigerden en hun speeltuig wiegt werkeloos in de wind. Doch voor zichzelf zingen zij, ingehouden en fel en onverstaanbaar voor de vijand, hun zangen van heimwee en wraak. „Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik uwer niet gedenk.”

1. In de afgelopen jaren heeft menig mens het heimwee van de balling gekend. Het is een geheel eigen smart die wel dikwijls door ongunstige omstandigheden wordt geaccentueerd, maar in haar wezen daarvan onafhankelijk is. Zij is niets dan verlangen in zijn pijnlijkste vorm: gemis dat de lijder als een verliefde geheel vervult en als met een mistige waas omgeeft waardoor de prikkels van de buitenwereld ternauwernood heendringen. Ongevoelig wordt hij voor alles wat niet is het éne: het vaderland, het tehuis. En zelfs de goede dingen van zijn omgeving brengen hem slechts dieper wee, daar zij hem herinneren aan dat onvervangbare andere. Heimwee is dan geworden een ongeneeslijke kwaal.

2. Een geestelijk heimwee mag de kinderen Gods geen rust laten. „Zalig zij die treuren, zalig zij die hongeren en dorsten.” „Wee u die nu overvloed hebt. Wee u die nu lacht” ( Lk.6, 25 ). „Wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomstige” ( Hebr.13, 14 ). Wie zich wèl bevindt bij het aardse, is ver van de volmaaktheid. De christen die Gods rijk en zijn gerechtigheid waarlijk zoekt, wordt verteerd door heimwee naar de stad Gods en de volkomen gemeenschap der heiligen, door heimwee naar de zoete en onverbreekbare vereniging met Jezus en het onthulde Aanschijn dat ons is beloofd. Is zulk een verlangen mogelijk, zolang wij streven naar geld en genot, naar eer en macht, naar spijs en drank en „al de dingen waarnaar het zoeken der heidenen uitgaat” ( Mt.6, 32 )?

3. De Kerk zingt haar lied van heimwee bij de offergang der gelovigen. Want deze offergang betekent dat wij het aardse prijsgeven voor God en dat wij gaan deelnemen aan wat ons op aarde een voorsmaak geeft van het hemelse vaderland: Christus’ offer en Christus’ maaltijd. Wij wenen van heimwee, als wij ons Sion gedenken; en wij wenen van vreugde en zingen bij spel van snaren geestelijke liederen en lofzangen, onze Heer dankend van harte, dat wij delen mogen in de heilige gemeenschap met God en zijn engelen.

„Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust. Ik wil zingen voor U, mijn Glorie” ( Ps.107, 2 ; allelujavers).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)