Hemelse rijkdom

194. Zaterdag onder het octaaf van Hemelvaart

„Die de Heer zoeken ontbreekt geen goed” ( Ps. 33, 11 ). Wonderlijk psalmwoord dat zich trots alle loochening handhaaft in de mond der heiligen! „Nabij is de Heer de gebrokenen van harte en Hij redt hen wier geest vermorzeld is. Vele zijn de rampen van de rechtvaardige, maar van alle bevrijdt hem de Heer” ( Ps. 33, 19. 20 ). De Kerk houdt er van de verzen uit deze psalm te zingen op de feesten van haar martelaren, aldus de paradox van Paulus voortzettend, dat zij die als de apostelen alles hadden verlaten en zelfs gelijk de martelaren hun leven prijsgaven, alles bezitten. Het duurt zo lang voor wij geloven dat het hun die God zoeken werkelijk aan niets ontbreekt. Wij geloven het niet omdat wij de Heer niet waarlijk zoeken en wij ondervinden deze waarheid niet omdat wij de moed missen alles te zetten op die éne kaart. Het woord van de psalmist is volstrekt waar, maar het zoeken van de Heer moet dan ook geschieden met de volstrektheid waarmee de heiligen Gods liefde als de éne parel hebben nagejaagd. Dan wordt de paradox werkelijkheid. Johannes van het Kruis dicht zijnGeestelijk Lied, naar lichaam en geest van alles ontdaan en wegkwijnend in een onmenselijke gevangenschap. Teresia van het Kind Jezus sterft in een extase van liefde, nadat zij haar jeugd had begraven in een Carmel en de tederheid van haar overgevoelig hart was gelouterd in een periode van lang aanhoudende dorheid. Franciscus Xaverius ziet de dood naderen, eenzaam en verlaten, op dat eiland voor de kust van China waar hij wilde binnendringen zonder er in te zijn geslaagd. „Hun allen ontbrak geen goed” , al waren zij naar menselijke beoordeling arm te noemen en ongelukkig. „Zoekt en gij zult vinden.” Wie God alleen zoekt zal Hem vinden en in de Heer zal hij, gelouterd en geestelijk, de schepselen hervinden die hij prijsgaf, als de toegift die God zijn vrienden toewerpt. De mens die door God werd gezuiverd, zo zegt Johannes van het Kruis , zal alle dingen van hemel en aarde bezitten en genieten in volmaakte geestesvrijheid.

2. Maar voor hem die de schepselen wil zoeken zonder God, zijn zij alleen maar ijdelheid die zij hart wondt en afwendt van God, „ijdelheid der ijdelheden en alles ijdelheid” . Johannes Chrysostomus wijst er terecht op dat het verwonderlijk is dat men reeds onder de oude Bediening (waarin het aardse toch een geheel andere plaats innam dan onder de wet van Christus) tot deze wijsheid was gekomen en dat dit inzicht daarom van de christenen gemeengoed zou moeten zijn. Kon immers het doorschouwen van de nietigheid der aardse dingen onder het Oud Verbond, dat nauwelijks een venster op de hemel geopend hield, leiden tot die toon van pessimisme die het boek Ecclesiastes kenmerkt, voor de christen, wie de geestelijke goederen zijn beloofd en reeds in onderpand geschonken, betekent de gave der kennis, het bovennatuurlijk inzicht in de vergankelijkheid van al het tijdelijke: bevrijding . Vrij zijn van de banden die het Sursum corda verhinderen: vreugde, onuitsprekelijke vreugde van zich door niets gebonden te weten; zaligend bewustzijn dat er zich tussen God en de ziel geen belemmering bevindt die het stromen der liefde kan afdammen. Laten wij zolang wij nog niet mochten geraken tot die heerlijke volheid, ons ten minste diep van het besef doordringen dat de schepselen, buiten God om gezocht, ijdelheid zijn, ons immer ontvallende vergankelijkheid, een leugen en geen realiteit die stand houdt in het licht van Gods oordeel en met ons ten hemel zou kunnen stijgen. Sint Paulus schrijft: „De uitermate lichte kwelling die wij hier doorstaan bewerkt een bovenmate zwaar en eeuwig gewicht van glorie voor ons die het oog gevestigd houden niet op de zichtbare maar op de onzichtbare dingen. Want de zichtbare zijn tijdelijk doch de onzichtbare eeuwig” ( 2 Kor. 4, 17. 18 )

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *