Het christelijk levensideaal

246. Dinsdag na de Zesde Zondag na Pinksteren

„Beschouwt ook uzelven; als dood voor de zonde, maar levend voor God, in Christus Jezus, onze Heer” ( Rom. 6, 11 ; epistel van de Zondag).

Zelden heeft de apostel het ideaal van de christen in kernachtiger bewoordingen uitgedrukt dan in dit vers, dat de uiteenzetting van zijn dooptheologie besluit. Het is een ideaal, wat in dit tranendal betekent dat het slechts in de kleine minderheid der gevallen wordt verwezenlijkt. Toch mag de verwerkelijking niet anders dan christelijk normaal heten, daar dit verheven einddoel ons is gesteld door God zelf en daar het berust op de verlossingswerkelijkheid van het doopsel, dat ons verenigt met onze gestorven en verheerlijkte Zaligmaker, bron en oerbeeld van alle christelijk zijn. En niemand zal de hemel binnengaan vóór het werkelijkheid is geworden, hetzij door de heiligheid op aarde, hetzij door de dood en de smartelijke loutering van het vagevuur.

1. Dood voor de zonde: hij die gestorven is, staat buiten dit leven en is voor de aardse levenden onbereikbaar geworden. Zo moet de christen zijn ten opzichte van de zonde en het domein der zonde. Hij moet alle betrekkingen afbreken met de zonde en met wat tot haar leidt (het enige wezenlijke kwaad): de drievoudige begeerlijkheid die niet van God komt, hebzucht, hoogmoed en wellust. Die mag voor hem niet bestaan en hij niet voor haar; voor haar is hij dood. Hij moet met de apostel kunnen zeggen: „Ik ben voor de wereld gekruisigd en de wereld voor mij” ( Gal. 6, 14 ).

2. Een heel domein van het aardse leven komt daarmee te vervallen, maar een nieuw gebied wordt voor ons ontsloten: leven voor God . Als een kristalhelder bergmeer, gevat tussen donkere wouden en niets weerspiegelend met zijn zuiver en rimpelloos oppervlak dan het licht, ontembaar stralend van de hemel: zo ziet Sint Paulus de ware christen, dood voor de zonde, afgesloten voor de zelfzucht, maar geopend naar de kant van God, levend voor Hem, voor Hem alleen, voor Hem geheel, leven van Hem ontvangend, genade op genade, de volheid van de Geest. Welk een ideaal! De ziel overwint met Gods genade de beletselen en haalt de weerstanden neer van hartstocht en eigenwil, en God kan in haar ten volle de bron openen van het levende water dat opspringt ten eeuwigen leven.

O, het is waar, wij leven niet zo en wij mogen de werkelijkheid niet uit het oog verliezen, de afstand tussen dit einde en ons moeizaam getob, dat veeleer een kruipen is dan het heerlijke rennen van de apostel, het najagen van het enige doel ( Phil. 3, 13 ). Maar nog minder mogen wij vergeten wat het echte christelijke leven eist.

3. In Christus Jezus. In U alleen, o Heer, die weg en einddoel tevens zijt, onze Verlosser en Middelaar, ons leven en ons voorbeeld, in U alleen en met U bestaat dit leven dat voorlopig evenzeer een sterven is. Hoe waar is het dat wij viatores zijn, reizigers onderweg. Hoe waar is het dat wij verlost zijn „in hope” zonder nog te bezitten, in geloof en zonder te aanschouwen Degene, naar wie het heimelijk verlangen van ons hart uitgaat. Geef ons zo nederig te zijn dat wij inzien en erkennen, hoezeer wij sterven moeten, hoezeer nog de zelfzucht met duizend banden ons bindt, — geef ons vertrouwen dat wij de moed niet verliezen als wij denken aan het ideaal dat werkelijkheid moest zijn, — geef ons grootmoedigheid, dat wij het ideaal nooit verraden, maar altijd opnieuw de werkelijkheid van elke dag confronteren met uw wil, ons leven plaatsend in het licht van uw aanschijn.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *