Het eerste gebod

287. Maandag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

„En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide: „Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” En Hij zeide tot hem: „wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?” Hij antwoordde en zeide: „Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand en uw naaste als uzelf” En Hij zeide tot hem: „Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven” ( Lk.10, 25-28 ; evangelie van de Zondag). Het is duidelijk dat de wetgeleerde naar de bekende weg vroeg, een gelegenheid zoeken om Jezus op de proef te stellen, maar vergeten wij niet dat Jezus zijn antwoord goedkeurde. Op een andere plaats in de evangeliën ( Mt.22, 37-39 = = Mk.12, 29-31 ) is het de Heer zelf die het grote gebod, reeds vervat in het Oude Testament ( Deut.6, 5 ; Lev.19, 18 ), in zijn volle kracht handhaaft voor het Nieuwe Verbond .

De wetgeleerd vraagt: „Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Dit is de vraag die de mens zich altijd stelt, indien hij gelooft aan de mogelijkheid van een zalig hiernamaals: „Wat moet ik doen om in de hemel te komen?” En God antwoordt: „Gij moet beminnen .” Het is natuurlijk niet zo dat God geen daden eist van zijn schepsel. En iedereen weet dat uit waarachtige liefde vele daden voortvloeien en de hoogste prestaties, en wellicht nog méér: smartelijk lijden. Maar doen en presteren is niet het eerste wat God vraagt, doch liefde, dat is, een beweging des harten, die de mens innerlijk aangrijpt en vandaar uit alle krachten der ziel in het werk zet om God oprecht te dienen. Het is begrijpelijk dat Jezus zijn ondervrager die evenals de meeste schriftgeleerden wel behoorde tot de sekte der farizeeërs, herinnerde aan het grote gebod der innerlijkheid, dat zij onder hun werkheiligheid en wettelijk formalisme hadden bedolven.

Meen ook hier niet dat het farizeïsme is uitgestorven. Altijd neigt de mens uit zelfbehoud er toe zich door verplichtingen en prestaties te verweren tegen de goddelijke eis der onvoorwaardelijke overgave. Wie de godsdienst wil herleiden tot een serie, hoe uitgebreid en ingrijpend ook, van wetswerken en geboden, zoekt een grens waarachter hij „zichzelf” kan zijn, een rustpunt, waar hij kan denken: het is genoeg, God heeft het zijne; wat overblijft is van mij. Wie waarachtig bemint, zoekt deze valse veiligheid niet, want liefde streeft er naar de grenzen op te heffen, de grenzen tussen plicht en raad, tussen eis en wens, de grenzen zelfs tussen Gij en ik. Aan de goddelijke liefde komt krachtens haar wezen totaliteit toe; hieraan kan slechts een reddeloze overgave van een hulpeloos mens beantwoorden. En dit is het juist wat Jezus vraagt. „Zie eens of Hij u nog iets overlaat waarmee ge uzelf kunt beminnen. Hij zegt immers: „Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en geheel uw verstand.” Wat blijft er over van uw hart dat gij nog uzelf zoudt beminnen? Wat van uw ziel en uw verstand? Hij die u geschapen heeft, eist u geheel op” ( Sint Augustinus ,Sermo34).

2. God eist onze dienstbaarheid als Schepper en Heer van het heelal die recht heeft op onze volledige onderwerping. Maar bovenal vraagt Hij de overgave des harten. Hij, de oneindige liefde, die zich als liefde heeft geopenbaard in Christus (lees 1 Joh.4 ). De onvoorwaardelijke overgave der liefde wordt niet afgedwongen. Deze beweging van gemoed en wil ontstaat spontaan, als een mysterie van leven in het diepst der ziel, in dat punt waar alleen God en de eigen vrijheid vermogen te werken. Smeken wij zonder ophouden om de volmaakte liefde die de vrees uitbant en onszelf in vrijheid bindt met zoete en onverbreekbare banden.

Zoete Moeder der schone liefde, bid voor uw kinderen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)