Het geloof in Israël

63. Maandag na de Derde Zondag na Driekoningen

„Voorwaar, Ik zeg u: zo groot geloof heb Ik in Israël niet gevonden” ( Mt. 8, 10 ; evangelie van de Zondag).

Tot voorbeeld strekken ons de bezorgde liefde van de heidense officier voor zijn oppasser, zijn diepe nederigheid ( „Heer, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak komt” ), en bovenal zijn groot geloof in Jezus’ macht: het was niet nodig dat de Heer naar hem toe kwam, die immers souverein kon gebieden over alle natuurkrachten.

1. Het geloof van deze heiden was volgens Jezus’ eigen woord beschamend voor de „zonen van het Rijk” , voor de kinderen van het uitverkoren volk. Zou het ook niet beschamend zijn voor de meesten van ons? Ons geloof is meestal lippendienst, omdat het niet onze eigen werkelijkheid doorlicht, omdat het ons niet ons eigen zijn onthult in betrekking tot God en Christus. Geloven wij werkelijk dat God ons meer nabij is en in een veel inniger betrekking met ons staat dan onze dierbare vriend, ja dan wijzelf? Geloven wij waarachtig dat Jezus’ liefde voor ons, voor mij, zo machtig en zo reëel is dat Hij wonderen zou doen, dat Hij ze doet , als het voor mijn heil nodig is en ik op Hem vertrouw? Zij wij er heus van overtuigd dat één akte van zuivere liefde meer waard is dan het stoffelijk heelal? Geve God dat wij, christenen, Jezus’ woord ernstig mogen nemen: „Hebt Godsgeloof! Waarlijk, Ik zeg u, als iemand tot die berg zegt: „verhef u en werp u in zee” , en als hij in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat zijn woord in vervulling gaat, dan zal het geschieden. Daarom zeg Ik u: „gelooft dat gij reeds hebt ontvangen datgene waarom gij bidt, en het zal u geworden” ( Mk. 11, 22-24 ).

Zulk een geloof redt en heiligt ons en geeft eer aan God ( Rom. 4, 20 ). Geloven is intreden in de wereld van God . En deze is geen sprookjeswereld voor brave kinderen, maar werkelijkheid even hard en helder als kristal en door het geloof wordt zij onze werkelijkheid. Door de geloofsdaad die ontstaat door een wonderlijk samenspel van goddelijke werken en menselijk willen, wordt de ziel van de mens geopend voor God. Het geloof aanvaardt de heilsorde van God in Christus. Het behelst de volledige en praktischeerkenning van de werkelijkheid Gods in ons eigen leven en in de wereld. Ook van óns geloof zal menigmaal het woord gelden, dat het een geloven is in liefde en de macht van God „tegen alle hoop in” ( Rom. 4, 18 ).

Hierdoor wordt God verheerlijkt, omdat het God niet als een mens behandelt, zij het dan als de beste en machtigste, en omdat het van Hem meer, oneindig meer verwacht dan het menselijk mogelijke.

2. Hoe kunnen wij tot dit geloof geraken? Er is geen ander middel dan dat wat de vader van de zieke jongen aanwendde: het gebed . „Heer, help mijn ongeloof!” En vergeten wij niet dat zulk een gebed, vertrouwvol gestort en ontsproten aan een vurig verlangen, reeds een daad van geloof is. Zulk een smeekgebed sluit al enigermate in dat wij in Jezus’ macht en goedheid werkelijk geloven. „Vraagt en gij zult verkrijgen.” Als deze vraag niet wordt ingewilligd, welke dan wel?

Niet enkel het smeekgebed, ook de beschouwing is een machtig middel om ons geloof te vermeerderen en te zuiveren van zijn al te menselijke elementen. Wanneer wij zoveel als ons mogelijk is, telkens opnieuw, onze geest vestigen op God en de goddelijke dingen, wanneer wij hem afkeren van verstrooiende nietigheden en hem richten op het woord van God en de leer en liturgie van de Kerk, zal hij zijn menselijke manier van oordelen en redeneren verliezen en steeds meer alles zien zoals God het ziet.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *