Het hart van Maria

42. Feest van de Heilige Familie (Zondag onder het octaaf van de Verschijning des
Heren)

Onze goddelijke Zaligmaker heeft de wens geopenbaard dat in deze laatste tijden tezamen met de liefde van zijn eigen goddelijk Hart ook de tederheid van Maria’s Hart zou worden gekend en vereerd. Het evangelie van heden, dat van het verlies en de terugvinding van het Kind Jezus in de tempel ( Lk. 2, 42-52 ), laat ons een blik slaan in het moederhart der heilige Maagd. Laat ons met eenvoud en liefde dit geheim overwegen.

Simeon had voorspeld dat een zwaard haar Hart zou doorboren. Hoe was die aankondiging gekomen, plotseling en meedogenloos de idylle verstorend van een dag die louter vreugde was voor de jonge Moeder! Zij herinnerde zich nog levendig hoe zij met Sint Jozef en het Kindje, haar Kind, zo fier en gelukkig naar de tempel was gegaan, naar het huis van God in de heilige stad, om haar Zoon de Heer aan te bieden, — hoe die eerbiedwaardige grijsaard met diepe vreugde en ontroering haar Kindje in zijn armen had genomen en God had geprezen om zulk een zaligheid. Maar dan klinken ineens die geheimzinnige woorden, aanduiding van een bange toekomst: dat onschuldig Borelingske zou een teken zijn van tegenspraak en haar eigen ziel zou van droefheid worden doorboord. Lange tijd is daar over heengegaan, jaren van een rustig en ongestoord samenzijn, van innige moederweelde, die Simeon ’s profetie schenen te logenstraffen. Nu zijn zij wederom in Jerusalem geweest, in het huis van God. Wederom was er grote vreugde voor haar Hart: de vroomheid te aanschouwen van haar Kind, met Hem tezamen God te loven in zijn tempel. En wederom werd die vreugde wreed verstoord en werd Jerusalem de stad van haar smart. Denken wij na over Maria’s angst en droefheid gedurende de dagen dat zij Hem zochten…

Haar leed klinkt nog na in het zacht verwijt: „Kind, hoe hebt Gij ons zoiets kunnen aandoen?” Het is waar: spoedig was daar de blijdschap van het wederzien. Hoe is Maria op Hem toegesneld, hoe had zij alleen oog voor Hem, zonder acht te slaan op al die deftige en geleerde mannen in het rond! Maar toch was er ook bij de vreugde van het wedervinden iets dat haar belette volop te genieten van dit ogenblik, iets dat een erger scheiding geheimzinnig aankondigde. „Wist gij dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” , als was Hij verwonderd dat zij Hem zochten, als moesten zij weten waar Hem te vinden. Hij behoort niet als een gewoon kind aan zijn ouders. Hij behoort geheel aan een Ander, aan diens wil en zending. „En zij begrepen het woord niet dat Hij tot hen sprak” ; toen nog niet. Later heeft zij het begrepen, als Jerusalem, de stad Gods, voor de derde maal de stad van haar smart is geworden, als haar teder Hart bloedt aan de voet van het kruis.

Moeder Gods, Moeder der goddelijke genade, onze Moeder, wij smeken u bij de tederheid van uw Hart, leer ons liefhebben gebed en kruis, die twee grote middelen waardoor Jezus’ vrienden Hem mogen naderen. Mogen wij met Hem bij de Vader zijn, in Gods huis, — mogen wij alle tijden om zijnentwil geduldig verdragen, naar uw voorbeeld, o Moeder van smart en barmhartigheid.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *