Het lof van engelen en van mensen

81. Vrijdag na de Vijfde Zondag na Driekoningen

„Aanbidt God, al zijn engelen” ( Ps.96, 7 ; introitus van de Zondagen na Driekoningen).

1. Wij willen wederom het heilig geheim der goddelijke liturgie beschouwen die in de zondagse hoogmis haar hoogtepunt vindt. Het offer der mis is het offer van de Kerk waaraan de gelovigen deelnemen. Het is de verhevenste act van de goddelijke eredienst, de heerlijkst denkbare aanbidding en lof Gods waarbij de strijdende Kerk zich verenigt met de zegevierende in de hemel en de koren der engelen.

„Aanbidt God, al zijn engelen!” — met deze triomfantelijke woorden, met deze oproep van de aarde tot de hemel vangt de liturgie der Zondagen na Verschijning aan. De engelen zijn onzichtbaar bij het offer tegenwoordig en de biddende gemeenschap der gelovigen wordt ten hemel gevoerd voor de troon van de Vader en het Lam. Wij denken aan de woorden uit het boek der Openbaring : „Ik hoorde de stem van vele engelen, rondom de Troon, rondom de Wezens en de Oudsten. Hun getal was tienduizend maal tienduizend en duizendmaal duizenden. En zij riepen met machtige stem: „Waardig is het Lam dat geslacht is, te ontvangen macht, rijkdom en wijsheid, kracht, eer, glorie en lof!” En ieder schepsel in de hemel, op de aarde en onder de aarde, op de zee en al wat daarin is, hoorde ik roepen: „Hem die zetelt op de Troon en aan het Lam zij lof en eer en glorie en kracht in de eeuwen der eeuwen” ( Openb.5, 11-13 ).

2. Wij zijn wel in een heel ander uiterste vervallen dan die dwaalleraars van Kolosse. Hun moest Paulus indertijd een valse en overdreven engelencultus verwijten, omdat zij meenden dat de verlossing en het middelaarschap van Christus niet voldoende waren en aanvulling behoefden door de verlossende werkzaamheid van allerlei geestelijke machten en krachten ( Kol.2, 18. 19 enz.). Dit was een verderfelijke dwaling die de grondslagen van het christendom ondermijnde. Wij zijn daarvan zeer ver verwijderd. In onze tijd is de engelenverering veelal eenzijdig verengd. Van hun vele en verheven functies komt in onze godsvrucht gewoonlijk alleen die tot haar recht welke de brief aan de Hebreeën beschrijft: „Zijn zij niet alleen dienende geesten die worden uitgezonden ten behoeve van hen die het heil zullen beërven?” ( Hebr.1, 14 ). Wij vereren hen als engelbewaarders (en dan nog bijna uitsluitend als beschermers van de afzonderlijke mens, zonder te bedenken dat ook de Kerk en de religieuze gemeenschappen hun bijzondere beschermers hebben, zoals God ons reeds in het Oude Testament heeft geopenbaard). Maar de heilige Schrift leert ons dat zij bovendien in de goddelijke eredienst de grote functie vervullen van de onophoudelijke lof Gods. De Apocalyps , „het boek der engelen” , is daarvan vervuld. En ook in onze eigen liturgie vinden wij die oud-christelijke gedachte trouw bewaard. In de prefatie, de grote dankhymne der mis, worden de engelen en hun heilig loflied, het Trisagion , dagelijks vermeld: „Door Christus loven de engelen uwe Majesteit. De heerschappijen aanbidden haar. De machten sidderen. De hemelen en de krachten der hemelen vieren haar tezamen met de zalige serafs in gemeenschappelijk gejubel. Wij bidden U: „duld dat onze stem zich met de hunne verenigt, zingend in lofprijzing die tegelijk smeekgebed is: „Heilig, heilig, heilig…” .”

3. Wanneer onder de mis het goddelijke Lam op onze altaren daalt, gaan de hemelen open. Hij is ons offer aan de Vader, Hij is de weg tot de Vader — en Hij zelf is het einde, onze Heer en onze God. „Ik ben de weg, de waarheid en het leven” ( Joh.14, 6 ).

„Aanbidt God, al zijn engelen. Sion (de Kerk) heeft het gehoord en zich verblijd, Juda’s dochteren jubelen” ( introitus ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)