Het morgenoffer

171. Donderdag na de Tweede Zondag na Pasen

„Heer, mijn God, tot U waak ik op vanaf de dageraad en in uw naam zal ik mijn handen heffen, alleluja” ( Ps. 62, 2. 5 ; offertorium van de Zondag). De psalm waaraan de liturgie deze verzen ontleent, is een der allerschoonste:

„Heer, mijn God zijt Gij, U wil ik zoeken
naar U dorst mijn ziel,
naar U smacht mijn vlees
in een dor en dorstig land. Zo heb ik voor U gestaan in het heiligdom
om uw macht en uw glorie te aanschouwen.
Want beter is uw liefde dan leven,
mijn lippen willen U loven
Zó wil ik U zegenen mijn leven lang,
mijn handen heffen in uw naam
Als het merg en vet zal mijn ziel zich verzadigen
mijn mond zal juichen met jubelende lippen,
zo dikwijls ik U gedenk in mijn sponde,
in nachtwaken uw naam prevel …
Ja, Gij waart mij een helper,
in de schaduw van uw wieken jubelde ik.
Mijn ziel hangt U aan
uw rechter houdt mij vast.

Het is een lied van morgenlijke jubel (opgenomen in de lauden van de Zondag) en dat bij uitstek past in de stemmingen van de paastijd. Deze ziel kan haar God niet vergeten. Des nachts gedenkt zij Hem en in de ochtend gaat heel haar élan naar Hem uit: ad Te de luce vigilo . Haar drijft de veerkracht der liefde en al kent zij het lijden, de smart maakt haar aanhankelijkheid aan het enige en onverliesbare God des te groter (en dan te bedenken dat men zó wist te bidden vóór ons Gods liefde in Christus was geopenbaard …).

2. Wij willen Hem de morgenuren wijden, de frisheid van de dageraad, de diepe stilte van de beschouwing, het mysterie van zijn offer en de deelname aan zijn lichaam en bloed en de lof Gods die de Bruid van Christus aanheft. Welk een voorrecht dit te mogen doen!

O Kersten hart! wat traagheid let u dan
Des morgens vroeg te rennen, daar dit Man,
Die zuivre dauw des Offers, zo gezegend,
U in den mond en op de lippen regent.
Zo blank als sneeuw van ’t heilrijk Paradijs?
Hier bloeit de boom des levens dag aan dag
Hier rust de ziel van ’t ijdele bejag.
Hier toomt de geest het vlees zijn dartelheden.
Hier antwoordt God op zuchten en gebeden.
Hier wist hij af de tranen in der nood.
Hier leeft het hart in troost; hier sterft de dood.

De traagheid die ons let, is die welke het beste deel is van elke mens: traagheid die ons belet te gaan, die, ook al zijn wij gegaan, ons bevangt, die ons ongevoelig maakt voor het hoogheilige en die onszelf onbegrijpelijk kan voorkomen, maar die niettemin zo dikwijls beschamende werkelijkheid is.

Laat het geloof triomferen over de zwakheid van onze natuur en elke morgen het loflied aanheffen, dat God toekomt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *