Het onophoudelijke gevecht

177. Woensdag na de Derde Zondag na Pasen

„Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen u te onthouden van de vleselijke begeerten die strijd voeren tegen uw ziel” ( 1 Petr. 2, 11 ).

1. Dit inleidende vers van het epistel van de Zondag beantwoordt precies aan de hoofdgedachte van het evangelie, de nabijheid en de zekerheid van de hemelse vreugde. De strijd en de onthouding waarvan Sint Petrus ‘ woorden gewagen stemmen overeen met de kortstondige droefheid, met de vreugde van de wereld die voorbijgaat en met de felle weeën der barende. In de periode van het modicum , „de korte tijd” , is beschouwing onmogelijk zonder versterving. De gedachte aan de onvergankelijke vreugde kan geen wortel schieten in onze geest, zolang de „vleselijke begeerten” onze ziel overheersen. Wij mogen deze uitdrukking niet uitsluitend verstaan in de zin van onkuise lusten. Natuurlijk zijn ook deze ingesloten. Maar wat de apostelen in hun geschriften met deze term bedoelen, verstaan wij toch beter als wij zouden lezen: zelfzuchtige begeerten. Wat de daden van onkuisheid tot zonde maakt is niet het feit dat zij zich afspelen in de sfeer van zinnen en vlees, maar dat zij strijden met de wet van God, dat de mens zijn eigen wil doorzet tegen Gods wil, ook in dit punt. Tot de passies van het vlees behoort het gehele domein van het egoïsme, niet enkel zinnelijkheid in engere zin, maar ook hebzucht, gierigheid, hoogmoed, huichelarij, ijdelheid, afgunst, gemakzucht, genotzucht, liefdeloosheid, haat. Al deze begeerten komen voort uit onze gevallen natuur en zij alle voeren strijd tegen de ziel. Zij brengen haar in gevaar en naar hun innerlijkste strekking voeren zij tot de eeuwige dood. „Wat baat het de mens, als hij de hele wereld wint, maar zijn leven verliest? Of wat zal de mens in ruil geven voor zijn leven?” ( Mt. 16, 26 ). Nogmaals, onze passies zijn niet op zichzelf genomen zondig. Maar de Kerk leert ons, dat zij door de zondeval van de mens gemakkelijk ongeordend worden, hun voorwerp licht nastreven zonder onderwerping aan de wil van God.

2. De eigenlijke zonde is de zonde tegen de liefde. Dit betekent uiteraard niet, dat alleen maar de zonde van liefdeloosheid zou bestaan en niet ook zonden van onkuisheid, onrechtvaardigheid en zo verder. Maar het betekent wel, dat ongeordendheid der liefde, gebrek aan liefde, egoïsme op een of andere wijze altijd aan onze zonden ten grondslag ligt. Het is mogelijk, dat wie echtbreuk pleegt, dit meent te doen uit eerlijke menselijke liefde, maar zijn liefde is in laatste instantie niet geordend naar het werkelijk geluk van de ander. Bij vele andere zonden, zoals gierigheid, oneerlijkheid, genotzucht, is alleen maar een koud gebrek aan liefde, een bekrompen zelfliefde in het spel. Wie zichzelf op de juiste wijze bemint en altijd openstaat voor het werkelijke goed van alle anderen, met wie hij in aanraking komt, zondigt niet.

Het is daarom, dat het onophoudelijk gevecht gericht moet zijn, niet tegen onszelf, niet tegen de sexuele passie als zodanig, niet tegen de begeerte naar zelfbehoud op zich beschouwd, maar tegen het egoïsme. En dit schept ook die vreemdheid, waarvan het epistel spreekt: wij worden dan vreemd aan de geest der wereld, wier grondwet egoïsme is en zelfbehoud ten koste van anderen. Dit behoeft helemaal niet te impliceren, dat wij de wereld verlaten. Het mag in genen dele betekenen, dat wij ons vreemd gaan gevoelen ten aanzien van de mensen in de wereld. Wat dan wel? Niets anders dan dit, dat de liefde voor allen de grondwet is van het christelijke leven, waardoor wij, vervreemd van de wereldse geest, vertrouwden kunnen worden van de wereldse mens.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *