Het priesterschap

190. Dinsdag na de Vijfde Zondag na Pasen

In het hogepriesterlijk gebed, aan de vooravond van zijn sterven, bad de Heer voor zijn apostelen (en voor allen die, als de priesters, enigermate delen in hun uitverkiezing): „Heilig hen in de waarheid; uw woord is waarheid. Zoals Gij Mij in de wereld hebt gezonden, zo heb Ik ook hen in de wereld gezonden. En Ik heilig Mijzelf voor hen opdat ook zij in waarheid geheiligd mogen zijn” ( Joh. 17, 17-19 ).

1. Jezus vraagt voor zijn apostelen en priesters op de eerste plaats, dat de goddelijke openbaring hun innerlijke heiligheid moge verlenen. „Heilig hen in de waarheid; uw woord is waarheid” , dat is, heilig hen door de goddelijke waarheid, in uw woord vervat. Het diepe geloof in Gods woord moet hen louteren en omvormen. „Reeds zijt gij rein door het woord dat Ik tot u gesproken heb” ( Joh. 15, 3 ). Het woord Gods is de openbaring die Jezus heeft gebracht, het is de volle en bovennatuurlijke „waarheid” . En deze waarheid is geen andere dan de openbaring omtrent Christus zelf, dat Hij is „weg, waarheid en leven” , dat Hij is de enige Zoon en God onze Vader door Hem. De priesters die in de wereld en tot de wereld worden gezonden, moeten diep doordrongen zijn van het geloof in Gods vaderschap en in Christus als enige Verlosser. Zij moeten zelf leven van deze waarheid. De voortdurende beschouwing van het innerlijk leven Gods en de verlossing in Christus moet hen heilig maken, dat is onttrekken aan het profane en aardse, God toegewend en delend in zijn oneindige heiligheid.

2. Dan eerst, gesterkt door diep geloof en geheiligd door de beschouwing der goddelijke waarheid, kunnen zij hun zending vervullen in een onheilige wereld, die de duisternis liefheeft méér dan het Licht. „Zoals Gij Mij in de wereld hebt gezonden, zo heb Ik ook hen in de wereld gezonden.” De wereld ligt in boosheid verstrikt en Christus’ gezalfden zijn niet van deze wereld, doch zij worden tot haar gezonden met Christus’ zending . „God heeft zijn Zoon in de wereld gezonden niet om haar te oordelen, maar opdat zij door Hem zou worden gered” ( Joh. 3, 17 ). De mensen moeten in de priester Christus kunnen herkennen. De priester moet bezield zijn met Jezus’ Geest en gedreven door zijn liefde … Hoe is dit mogelijk? Hoe kan een zondig mens een „andere Christus” zijn?

Jezus’ laatste woorden geven het antwoord op deze vraag:

3. „En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij in waarheid geheiligd mogen zijn.” Ofschoon Jezus de heiligheid zelf is, zegt Hij toch: „Ik ga Mijzelf heiligen” . Hij spreekt deze woorden enkele uren voor zijn dood. Hij gaat zich weldra als slachtoffer God toewijden. Het kruisoffer zal Hem als het ware een nieuwe heiligheid toevoegen, die van godgewijd slachtoffer. En dit geschiedt „voor hen” , op de eerste plaats voor zijn apostelen en priesters, opdat zij, als Hij is heengegaan, in zijn plaats kunnen treden, opdat ook zij op hun beurt, door de vrucht van zijn kruisdood, priester en slachtoffer kunnen zijn, „geheiligd in werkelijkheid” . Hoe verheven is de roeping der priesters en hoezeer behoeven zij ons gebed! Geheiligden moeten zij zijn door de goddelijke waarheid, als Christus gezonden in de wereld, evenals Hij en naar zijn beeld priester en slachtoffer . Sacerdotium crux et martyrium . In de mis, in het kruisoffer onder ons tegenwoordig, ligt de bron van hun heiligheid. Leer het priesterschap bezien met zuivere ogen des geloofs en ondersteun het werk der priesters met gebed en daad.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *