Het rijk Gods en zijn gerechtigheid

300. Veertiende Zondag na Pinksteren

„Zoekt eerst het rijk Gods en zijn gerechtigheid en dat alles wordt u in de schoot geworpen” ( Mt.6, 33 ; communio en slot van het evangelie).

1. Er is geen woord des Heren dat dieper in onze ziel moet dringen dan dit. Vragen wij Gods genade. — Wat wij allereerst moeten zoeken, is niet iets van ons zelf, maar van God: zijn rijk en zijn gerechtigheid. De mens wordt beheerst door een bijna onuitroeibaar egoïsme. „Allen zoeken het hunne, niet de dingen van Jezus Christus,” klaagde Sint Paulus ( Phil.2, 21 ). En Sint Jan herleidt gans het rusteloos streven van de wereld tot begeerlijkheid des vleses, begeerlijkheid der ogen en hovaardij des levens ( 1 Joh.2, 16 ). De Meester zelf spreekt in het evangelie van vandaag: „Dit alles is het waarnaar de heidenen streven, voedsel, kleding, geld, genot, de tijdelijke dingen, wat de zinnen treft en bevredigt.” Jezus veroordeelt zelfs de angstige bezorgdheid om het noodzakelijke; wat dan te zeggen van de onrustige begeerte naar het overbodige, naar luxe en rijkdom? Al mogen wij ons misschien vrij achten van de grovere uitingen van hebzucht, er zijn nog zoveel fijnere vormen van egoïsme: hoogmoed, ijdelheid, huichelarij, afgunst …

Heer, maak ons hart vrij van begeerte en onrustige bezorgdheid, vervul het met het sterke en brandende verlangen naar uw heerschappij. Hoeveel gewicht hechten wij aan het vergankelijke, hoe interesseren ons de dingen van de dag, hoe onverschillig en spoedig verveeld zijn wij, als het gaat over het éne noodzakelijke!

2. „Zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid.” Hoe moeten wij het zoeken, Heer? Hoe bereiken wij dat het ons hart vervult, zódanig dat het andere ons niet meer deert? Wij willen geen ander verlangen kennen dan U te beminnen met geheel ons hart en met geheel onze ziel, want dat is uw rijk en zijn gerechtigheid in ons. Moge in ons bewaarheid worden wat uw psalmist zegt: „Zijn zielsverlangen hebt Gij vervuld, Gij hebt hem niet onthouden datgene waarom zijn lippen smeekten” ( Ps.20, 3 ). Geef ons, Heer, de zaligmakende honger en dorst naar de gerechtigheid die volgens uw eigen woord verzadigd zal worden. Neem van ons weg wat ons belet tot U te komen. Gij hebt ook gezegd: „Wij mijn leerling wil zijn, neme zijn kruis op en volge Mij.” Slechts door het kruis wordt uw rijk in ons gevestigd. Kome het, o Vader: uw naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede. Schenk ons het zuivere verlangen dat nooit te duur gekocht is. Het rijk Gods is gelijk aan een verborgen schat; slechts weinigen ontdekken hem en wie hem vinden, geven blijde hun bezit om hem te verwerven ( Mt.13, 44 ).

3. De ziel die God boven alles in bemint, is zo kostbaar in de ogen des Heren, dat ook „al het andere” haar wordt toegeworpen als een toegift (evangelie). God schenkt reeds hier op aarde honderdvoudig terug het weinige dat wij om zijnentwil prijsgeven: geestelijke weldaden waarbij het stoffelijke in het niet verzinkt, en dikwijls ook tijdelijke dingen. Denk slechts aan de ontzaglijke ondernemingen die heiligen als Teresia van Avila en Don Bosco tot stand hebben gebracht. De hemels onbezorgde mens is als Sint Franciscus van Assisië koning der schepping. „Alle goederen zijn mij tegelijk met haar (de hemelse wijsheid) ten deel gevallen” ( Sap.7, 11 ). „God leidt alles ten goed voor degenen die Hem beminnen” ( Rom.8, 28 ). Verwonderlijk is het niet; de heilige rust in God, de grond aller dingen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)