Het Rijk Gods gelijkt een zaad

277. Vrijdag na de Tiende Zondag na Pinksteren

In het evangelie van Sint Markus lezen wij ( 4, 26-29 ): „Hiermee kan men het koninkrijk Gods vergelijken: Een mens werpt zaad in de aarde en des nachts slaapt hij en overdag staat hij op en het zaad ontkiemt en groeit op zonder dat hijzelf weet hoe. Vanzelf brengt de bodem vrucht voort: eerste de halm, dan de aar, daarna het volle graan in de aar. En als het koren rijp is, slaat hij er aanstonds de sikkel in, want het is tijd voor de oogst.” Dit juweel is ons bewaard door Sint Markus alleen; het is een van de weinige passages die door hem alleen van de vier evangelisten vermeld wordt. Jezus wil zeggen dat er in het bedrijf van de landbouwer, hetwelk zijn toehoorders uit eigen aanschouwing en ervaring kenden, een groot deel van mysterie en passiviteit schuilt. De boer werkt hard en gestaag, maar hij zal de eerste moeten zijn om te erkennen dat zijn arbeid slechts een deel, en het geringste, uitmaakt van dat proces waardoor de mensheid leven kan. Als hij gezaaid heeft, is zijn werk voorlopig beëindigd: „hij slaapt en staat op” . Het eigenlijke geschiedt zonder zijn inmenging, want „God is het die de wasdom schenkt” ( 1 Kor.3, 6 ). Hij weet niet eens hoe dit wonder van de natuur zich voltrekt. Geleidelijk, maar onweerstaanbaar en onafhankelijk van menselijke oorzaken, ontkiemt het zaad en groeit het koren op tot de volle rijpheid. Zo is het rijk Gods …

1. Het koninkrijk van God bezit, evenals het zaad, in zichzelf de levenskracht om te groeien en tot wasdom te geraken. De heerschappij Gods, door Jezus op aarde gebracht, is een goddelijke energie die uit zichzelf de wereld beweegt. Mensen worden geroepen om aan dat rijk hun beste kunnen te wijden, om er voor te leven en te sterven, maar laat niemand denken dat God hem nodig heeft. Het is veeleer de innerlijke kracht van het godsrijk zelf die een mens het vermogen verleent zichzelf te verloochenen en voor God te leven. Hoezeer de geroepenen ook tot de heilige ijver verplicht zijn, God staat in een verheven onafhankelijkheid ten opzichte van de menselijke medewerking. Waarlijk „nutteloze knechten” blijven wij altijd, ook in de beste veronderstelling.

2. Maar Jezus wil ons ook leren dat de krachten van het rijk Gods geleidelijk werken, geleidelijk en onweerstaanbaar. Zijn eerste hoorders konden zich de zozeer begeerde komst van het koninkrijk niet anders voorstellen dan als een plotseling gebeuren dat ineens, volkomen en op opzienbarende wijze, zou worden verwezenlijkt. En zulk een verlangen is in de grond algemeen menselijk; wij allen zouden willen vragen om een „teken vanuit de hemel” ( Mk.8, 11 ), om iets, zó klaarblijkelijk en onweerstaanbaar, dat alle tegenstanders zouden verstommen en wijzelf, de vromen, miskend en eeuwig verdrukt, zouden herademen en door God als de zijnen worden erkend. Zo al het zijn op het einde der tijden. Maar niet nu; thans groeit het rijk Gods in de stilte, onmerkbaar bijna, zo langzaam dat het kan lijken alsof de zaak van God in de wereld verslechtert. Zo wil het God; en Jezus troost ons met het beeld van het zaad, met de gedachte aan de ontembare kiemkracht van het leven zelf. Zo is het rijk; ge ziet het niet gebeuren; toch gebeurt het en niets zal zijn groei weerhouden.

3. De Heer staat ons ongetwijfeld toe dat wij de gelijkenis toepassen op ons persoonlijk leven, op de groei van het godsrijk in onze ziel. Ook hier zijn, tot onze troost en onderrichting, de beide waarheden van kracht. Ook voor de afzonderlijke mens geldt, dat het rijk Gods afhankelijk is van God alleen, dat wil dus zeggen dat de menselijke „medewerking” allereerst moet bestaan in een diep besef van die afhankelijkheid. Wij kunnen niet zelf Gods heerschappij in ons oprichten. God alleen schenkt ons de heiligheid. Onze taak bestaat hierin dat wij het Hem laten doen, dat wij nederig en vertrouwvol haar Hem uitzien. De heiligheid eist een zekere passiviteit, een open willen zijn voor God. En ook die andere gedachte kan ons sterken. Het zaad groeit langzaam en geleidelijk in onze ziel. Dikwijls klaagt men dat men geen vooruitgang bespeurt. Wat is „vooruitgang” ? Dat men rustig wordt en klein tegenover God en alles van Hem verwacht. Het leven groeit dan als het ware onder de oppervlakte van ons bewustzijn, maar niet minder werkelijk.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)