Het rijk van de Zoon zijner liefde I

375. Vrijdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In het epistel van de Zondag nodigt Paulus ons uit God te danken, omdat „Hij ons heeft ontrukt aan de macht der duisternis en overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon” ( Kol.1, 13 ).

Door het doopsel kregen wij deel aan de verlossing van Christus en werden wij leden van zijn lichaam en burgers van zijn koninkrijk. Het rijk van Christus is één, maar het bestaat in twee sferen, de aardse en de hemelse. Of, ons wellicht beter uitdrukkend, kunnen wij zeggen dat wij op een tweevoudige wijze deel hebben aan zijn rijk, door de genade als in een beginstadium, en later door de hemelse glorie als de eeuwige voltooiing. De Stad Gods op aarde is de Kerk. Zij is Christus’ rijk in onvolmaakte staat, het niet uitgeschifte visnet waarin zich de bruikbare en de ondeugdelijke vissen dooreen bevinden.

Maar zij is Christus’ rijk en wij moeten haar liefhebben als de Heer zelf. „Zalig hij die zich aan Mij niet ergert” Dit woord geldt ook van haar. Zij is het grote teken des geloofs, maar ook de toetssteen van ons geloof die struikelblok en ergernis kan worden. Geloven in de Kerk betekent niet de ogen sluiten voor het menselijke en al te menselijke waarmee zij is samengegroeid en noodzakelijk verbonden blijft tot de jongste dag, als God zijn engelen zendt om de goeden van de kwaden te scheiden.

Het is met het geloof in de Kerk als met alle geloof. Het waarachtige geloof is eerst mogelijk nadat de ergernis gevoeld en de crisis overwonnen is. Te voren is er het naïeve geloof dat in de ure der beproeving gevaar loopt ontworteld te worden. Eerst nadat de apostelen Jezus’ lijden en dood hadden aanschouwd en de schipbreuk beleefd van al hun opvattingen over het rijk Gods, waren zij rijp geworden om de genade des Geestes te ontvangen en om, met diepe schaamte over hun lafheid en in het besef van hun eigen volslagen ontoereikendheid, voortaan te bouwen op God alleen. Zolang wij geloven in de Kerk omdat zij ons menselijkerwijze machtig lijkt, omdat zij schijnt te slagen in deze wereld, geloven wij niet werkelijk. Geloven betekent altijd in God geloven om God . Menselijkerwijze gesproken ligt de Kerk altijd onder en is zij steeds de zwakste partij. Toch blijft zij onvergankelijk, omdat God werkt door haar zwakheid, omdat zij het aardse rijk is van zijn geliefde Zoon.

Wij moeten de Kerk zien met zuivere ogen: het rijk van Jezus met onze zwakheid vermengd, verduisterd door onze ellende, maar vervuld van zijn kracht en glanzend van zijn heiligheid. Het geheim der menswording zet zich in haar voort, Gods kracht in onze machteloosheid, zijn licht in onze duisternis. Wie zuiver in haar gelooft, zal zich aan haar niet ergeren, maar hij zal haar liefhebben met dezelfde onuitsprekelijke liefde waarmee zij Jezus bemint. In het hart van een christen leeft de liefde voor zijn Heer als een onbeschrijflijk geheim. Ja, zo is het in waarheid, ondanks de miserie van onze dagelijkse lafheid. De liefde voor Christus is datgene in ons wat wij een heiden niet kunnen verklaren, wat wijzelf niet eens begrijpen. Eenzelfde onuitgesproken, maar onuitputtelijke tederheid gevoelen wij voor de Kerk, die één is met Christus, de Bruid des Heren, louter lieflijkheid en schoonheid van binnen, stralend voor het oog des geloofs.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee