Het souvenir van zijn lijden

148. Dinsdag in de Goede Week

„Toen nam Hij brood, sprak het dankgebed uit, brak het, gaf het hun en sprak: „Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt overgeleverd; doet dit tot mijn gedachtenis” ( Lk. 22, 19 ).

„Zo dikwijls gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt” ( 1 Kor. 11, 26 ).

Nu wij in deze dagen met bijzondere aandacht en liefde het lijden des Heren overwegen, mogen wij niet vergeten, dat Jezus ons een herinnering aan zijn passie heeft nagelaten, een levende en waarachtige herinnering, die machtiger werkt dan alle welsprekende woorden en innige overdenking. Aan de vooravond van zijn dood stelde Jezus het sacrament des altaars in en Hij heeft het aan zijn apostelen toevertrouwd en ons als bij testament vermaakt, opdat wij Hem niet zouden vergeten , opdat we bovenal zijn heengaan van ons in liefde niet zouden vergeten. „Doet dit tot mijn gedachtenis.” Over het laatste avondmaal valt reeds de schaduw van de dood. Het is een laatste samenzijn in de intimiteit met enkele vertrouwden, die Hem nu nog niet werkelijk begrijpen, die Hem zelfs weldra verlaten zullen, maar die later, door zijn Geest gesterkt, Hem trouw zullen dienen. Het is een teder uur. Johannes rust aan zijn borst en de Meester spreekt zijn Hart uit in onvergelijkelijke afscheidsgesprekken. Er is de vreugde van het oude, eerbiedwaardige paasmaal, maar getemperd door de nabijheid van de scheiding waarop Hij telkens zinspeelt. Er is ook, over scheiding en dood heen, het uitzicht op de eeuwige vreugde van een ander gastmaal: „Van nu af zal Ik deze vrucht van de wijnstok niet meer drinken, tot op de dag waarop Ik ze nieuw met u drinken zal in het rijk van mijn Vader” ( Mt. 26, 29 ).

Voor die tijd der scheiding, waarin wij leven, nu de Bruidegom van ons is weggenomen en nog niet weergekeerd, heeft Hij ons zijn lichaam en bloed nagelaten „als gedachtenis” . Wij kennen allen, zeker als we ouder worden, die souvenirs van mensen die ons lief waren en die van ons heengingen, onbeduidende dingen dikwijls en zaken van weinig waarde, waaraan we sterk zijn gehecht en warbij het heimwee van onze herinnering gaarne verwijlt. Ach, welk een souvenir heeft Jezus ons geschonken! Zijn eigen vlees en bloed, het lichaam en bloed van het Lam dat geslachtofferd is en dat wij nuttigen mogen als onze spijze en sterkte. Herinnering oneindig dierbaar, levende herinnering en bron van kracht. Souvenir dat zijn verlossend lijden en sterven op mystieke wijze onder ons tegenwoordig stelt: gedachtenis die tevens onderpand is der zalige toekomst, die de belofte inhoudt van zijn terugkeer. „Aldus verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij wederkomt …”

Om nu enkele praktischevragen te stellen:

1. Zijn wij ons er derhalve van bewust dat wij Jezus’ lijden en dood niet beter kunnen vereren dan door een waardige communie (en dit betekent o.a. een communie zo mogelijk ontvangen in verband met de mis)?

2. Bestaat onze dankzegging na de communie alleen in smeekgebed voor onszelf en onze dierbaren?

3. Zouden wij ook niet, vol geloof, enige ogenblikken doorbrengen in de gedachtenis aan zijn lijden en dood en ons sterken met de zalige hoop op de hemel, waarvan de eucharistie het onderpand is, ondanks alles , ondanks al onze zwakheid en zondigheid (want zou het nodig, ja, zou het mogelijk zijn werkelijk te hopen , d.i. ons vertrouwen te stellen op de verdiensten van Jezus’ bloed en op de barmhartigheid Gods, indien wij wankelloze volmaakten waren, verondersteld dat zulke wezens op aarde bestaan?)?

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *