Het zuivere gebed

45. Octaaf van de Verschijning des Heren

„De Geest zelf spreekt voor ons ten beste met onuitsprekelijke verzuchtingen” ( Rom. 8, 26 ). Wij kunnen de schat van het inwendig gebed niet hoog genoeg waarderen. Als er één kracht is die een ander mens van ons kan maken, dan is het wat ( Ruusbroec ) zo schoon noemt „het liefderijk inwendig aankleven aan God” . Sommigen beweren dat het inwendig gebed zoals het in de Kerk wordt beoefend, een praktijk is onbekend aan het evangelie. En men kan toegeven, dat de min of meer stelselmatige beoefening van de meditatie eerst in latere eeuwen is opgekomen. Maar dit geldt toch slechts voor bepaalde vormen van gebed, niet voor het wezen der zaak. Als Sint Lukas ons van de Zaligmaker verhaalt, dat Hij de nacht in gebed doorbracht, dan moeten wij, voorzover wij dit geheim eerbiedig mogen benaderen, toch zeer zeker denken aan een innig en volkomen geestelijk verkeer van Jezus met de Vader, die Hij immer aanschouwde en die Hem „nooit alleen liet” ( Joh. 8, 29 ). De Apostel vermaant ons: „Bidt zonder ophouden” ( 1 Thess. 5, 17 ), wat zonder een waarachtige gebedsgeest niet mogelijk is.

Het inwendig gebed is de ziel van alle gebed, het is een aards vooruitlopen op de vreugde en het bezit van de hemel, in de duisternis van het geloof weliswaar en daarom niet zelden dor en smartelijk, maar toch een werkelijk contact van de ziel tot God. „Hart spreekt tot hart” Deze spreuk van de grote Engelse kardinaal is wellicht de beste omschrijving van het inwendig gebed. Dit kan een spreken zonder woorden zijn, want het hart heeft een taal die het verstand niet kent en het Hart Gods heeft onze woorden niet van node om te stamelen en begeren van ons hart te verstaan. „God is groter dan ons hart” ( 1 Joh. 3, 20 ).

De door godsverlangen gewonde ziel zoekt een gebed dat niet van de oppervlakte van onze geest moeizaam naar het centrum tracht te dringen zoals de gebruikelijke meditatie, waar alle vermogens in werking worden gesteld en wel die van onze periferie het eerst: verbeelding, gevoel, redenerend verstand. Zij smacht naar een bidden dat van binnen uit begint, vanuit het innigst midden en de hoogste top der ziel, waar God alleen de Meester is. Zij smeekt er om het meesterschap over zich zelve te verliezen. Dat God zijn hand op haar legge en bezit neme en … houde!

Laat de ziel het stil maken rond zich en in zich en geheel inkeren tot God. Dat zij de wereld buitensluite en alle gewoel van gedachten en beelden, dat zij alle begeerte in zich tot rust brenge, opdat er niets (maar dan ook volstrekt niets) overblijve dat dat éne verlangen naar Hem dat Hijzelf heeft gewekt. „Want zolang de mens in zijn hart verdeeld is, blijft hij naar buiten ziende en ongestadig in zijn gemoed; wordt hij licht bewogen door lief en leed van tijdelijke dingen, want die leven nog in hem” ( Ruusbroec ). En laat die ziel dan geduld oefenen, ach, veel geduld en nooit ontmoedigd worden. Mane astabo Tibi et videbo : in de morgen sta ik Vóór U en zie uit” ( Ps. 5, 5 ). In die stilte (en in de duisternis) moet zij zich voor God stellen, naakt en arm en eenzaam, en uitzien naar God, naar Hem alleen. En altijd opnieuw de hinderlijke drom der aardse dingen zachtjes wegduwen om uit te zien, te wachten en te verlangen.

De mens van gebed zal de stilte beminnen. De dingen van de wereld verliezen voor hem hun betekenis, niet door redenering noch door harde inspanning, maar als vanzelf verdwijnen zij en hij zal er zich over verwonderen dat ze hem vroeger deren konden. Zijn wil zal samensmelten met de aanbiddelijke wil Gods (o, die noodzakelijke voorwaarde en zalige vrucht tevens van het gebed). In zijn ziel zal wellicht geen troost dalen, maar wel die inwendige kracht, die subtiele kwaliteit die Edward Poppe noemde „het geloof in de vrede” . „Verschijningen, openbaringen, vertroostingen? Niets van dat alles. Het geloof in de vrede is al wat ik heb: een diep toebehoren aan God, zonder vertroosting buiten die van het naakte geloof.” Maar dit is de vrede waarvan Jezus zeide: „Mijn vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u, niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik u…”

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *