Het zwoegen der liefde

84. Maandag na de Zesde Zondag na Driekoningen

In het epistel van de Zondag prijst de Apostel het vurige godsdienstige leven van zijn lezers. Hij weet dit niet beter te doen dan door het voortreffelijk gehalte in het licht te stellen der drie goddelijke deugden zoals deze pasbekeerden ze beoefenen. Zonder ophouden gedenkt hij in zijn gebeden „hun werkdadig geloof, het zwoegen der liefde en hun volhardende hoop” ( 1 Thess.1, 3 ). Bepalen wij in deze overweging onze aandacht tot de „grootste van deze drie” , welke Paulus hier beschrijft als een zwoegende liefde. De liefde voor God en de naaste is er een die deze schone naam verdient. Het is werkelijk een liefde, een zielehouding die het zich niet gemakkelijk maakt, maar „zwoegt” . Het is zoals een latere tijd dat uitdrukt een amor Dei usque ad contemptum sui : een liefde voor God die gaat tot de verachting van zichzelf.

„Zwoegende liefde” , dat is de ene bepaling die van ware liefde wordt gegeven. De andere luidt „lijdende liefde” .Schenken wij hier onze aandacht aan wat wij de actieve helft der Godsliefde kunnen noemen. Het gevaar van schone gebeden en door het leven niet beproefde devotie is dat wij ons al te lichtvaardig woorden eigen maken die niet beantwoorden aan onze concrete menselijke houding en beleving.

Al te gemakkelijk zeggen wij het de heilige na: „Mijn God en mijn al” . Bedenken wij wel wat het betekent: „Mijn God, ik bemin U van ganser harte, met heel mijn ziel en met al mijn krachten” ? Zolang onze liefde lauw is, voor geringe moeiten en offers terugschrikt, zolang zij niet een „zwoegende liefde” is, verdient zij haar naam niet.

De Navolging schrijft: „De minnaar vliegt en rent en is verheugd. Hij is vrij en laat zich niet weerhouden. Hij geeft alles voor alles en bezit alles in alles… De liefde voelt de last niet en moeite telt zij niet. Zij wil meer dan zij kan en van ‘ „onmogelijk” ’ wenst zij niet te horen. De liefde waakt en slapend sluimert zij niet. Vermoeid kent zij geen afmatting, in het nauw gedreven raakt zij toch niet bekneld, verschrikt raakt zij niet van streek, maar als een vurige vlam en een brandende fakkel laait zij opwaarts en baant zich een veilige weg” ( III, 5 ).

En het Hooglied : „Sterk als de dood is de liefde… Watervloeden vermogen haar niet te blussen en stromen spoelen haar niet weg” ( 8, 6. 7 ).

Wanneer wij eerlijk in onszelf keren, zullen wij moeten erkennen dat onze liefde voor God en de naaste nog ver van dit ideaal verwijderd is.

Deze zelfkennis kan zeer nuttig zijn voor onze nederigheid. Zij is noodzakelijk om ons geestelijk leven reëel te zien en niet volgens het beeld van onze wensdromen. Maar laten wij niet vergeten dat elke christen verplicht is ernstig naar dit ideaal te streven. Heeft niet de Heer zelf ons geboden met de woorden van het Oude Testament : „Gij zult de Heer, uw God, beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand” ( Mt.23, 27 )?

„God is groter dan ons hart en Hij weet alles” ( 1 Joh.3, 20 ). Hij kent ook ons eerlijk pogen om tot de liefde te geraken. Zeggen wij Hem eenvoudig en vurig met Sint Petrus : „Heer, Gij weet alles. Gij weet dat ik U liefheb” ( Joh.21, 17 ) en voegen wij er nederig aan toe: „vermeerder mijn liefde” .

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee