Hij heeft alles wèl gedaan

279. Elfde Zondag na Pinksteren

In de passage die aan het evangelie van heden voorafgaat verhaalt Sint Markus hoe Jezus de dochter van de Kananese vrouw geneest. Hij doet dit bijna zijns ondanks. Want die vrouw behoorde niet tot het volk waartoe de persoonlijke zending des Heren beperkt was, maar haar groot geloof en slagvaardige deemoed overwinnen Jezus’ tegenstand. Hierbij sluit ons evangelie aan, dat eveneens een wonder vermeldt door Jezus verricht buiten het eigenlijke land van de Joden, in de half heidense streek der Dekapolis. Hiermee houdt verband dat de Zaligmaker zo min mogelijk opschudding wil verwekken. Hij voert de doofstomme, voor Hij hem geneest, ter zijde en vervolgens legt Hij hem het zwijgen op. „Maar hoe dikwijls Hij het hun ook gebood, des te meer maakten zij het ruchtbaar. En zou waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: „Hij heeft álles wèl gedaan, ook de doven doet Hij horen en de stommen spreken” ( Mk.7, 36. 37 ).

1. De geestdrift van deze mensen steekt weldadig af bij het steeds groeiend ongeloof en wantrouwen dat de Heer van zijn eigen volk ondervindt, ofschoon Hij voor de Joden talloze wonderen had verricht. Hier, in de Dekapolis, wekt Christus’ liefderijke wondermacht nog een onbevangen en spontane waardering. Met recht mogen zij jubelen: „Hij heeft alles wèl gedaan” , zoals Sint Petrus later heel het optreden van Jezus samenvat in de woorden: „Hij ging rond, weldoende en genezende” ( Hand.10, 38 ). Maar toen de Heer in zijn eigen vaderstad kwam, vond Hij slechts ongeloof en de sceptische vraag: „Vanwaar heeft Hij die wijsheid en die krachten?” ( Mt.13, 54 ) En nadat de inwoners van Nazaret Hem hadden aanhoord sprekend in hun synagoog, „werden zij van toorn vervuld” en wilden zij Hem van de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, naar beneden werpen ( Lk.4, 28-30 ). Het schijnt een hoogst onaangename eigenschap te zijn van de menselijke natuur om datgene waarmee men vertrouwd is geraakt, niet langer te waarderen en zelfs te minachten. Ook ons heeft Jezus wèl gedaan, op onuitsprekelijke wijze en talloze malen. Voortdurend zijn wij het voorwerp van zijn liefde, wijsheid en macht. Hoeveel onverdiende gaven schenkt God ons door zijn genaden, door zijn voorzienigheid, in de Kerk waartoe wij door zijn uitverkiezing mogen behoren! Moge toch deze „gewoonte” een onverschilligheid voortbrengen, moge immer opnieuw in ons hart een spontane en diep gevoelde dankbaarheid opwellen, een jubel en lofprijzing Gods voor al hetgeen zijn liefde aan ons deed en doet.

2. De volksmenigte van de Dekapolis juichte Jezus toe om een stoffelijke weldaad. God verwacht met recht van zijn christenen méér. Het was voor die mensen niet moeilijk, de Heer te prijzen voor een tastbaar goed. Maar om met de heilige man Job te midden van de diepste ellende te kunnen zeggen: „De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen: de naam des Heren zij geprezen” ( Job.1, 21 ), daarvoor is een geheel andere, een zuiver geestelijke instelling tegenover God vereist. Daartoe is alleen het echte, bovennatuurlijke geloof in staat. Wanneer een mens, in blind vertrouwen en onbaatzuchtige liefde, God prijst in zijn lijden, Christus’ overgave aan de wil des Vaders navolgend, dan wordt het „Hij heeft alles wèl gedaan” het schoonste en Gode behaaglijkste loflied dat van onze aarde kan opstijgen tot de Vader in de hemel. „Dankt God de Vader voor alles” ( Eph.5, 20 ). Voor die Hem liefhebben doet Hij alles wèl, ook daar waar ons mensenverstand geen uitkomst ziet en wanhoop en angst zich meester willen maken van ons hart.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)