Ik zal u nooit vergeten

138. Zaterdag na de Vierde Zondag van de vasten

Het misformulier van heden vloeit over van schone teksten die alle wederom ofwel aankondigen ofwel bezingen de overvloed van het heil welke ons in Christus wordt geschonken. God spreekt in beelden over een werkelijkheid die zo reëel en zo verheven is dat men haar beter door tastbare dingen kan suggereren dan bepalen in strikt omlijnde begrippen. Want de dingen van de natuur en het leven zijn schepselen Gods, maar begrippen zijn het maaksel van ’s mensen denken waarvan de Heer weet „dat het ijdel is” .

1. „Gij die dorst lijdt komt tot de wateren,” zegt de Heer, „en die geen geld bezit, komt en drinkt met blijdschap” ( Is. 55, 1 ; introitus ). „Langs alle wegen zullen zij weiden en in elke vlakte vinden zij beemden. Zij zullen honger noch dorst lijden, geen hitte of zonnegloed zal hen kwellen, want hun Ontfermer zal hen aanvoeren en drenken aan de waterbronnen” ( Is. 49, 9. 10 ; epistel). „De Heer is mijn herder, ik zal niet derven. Hij weidt mij op groene beemden, Hij leidt me naar koele wateren” ( Ps. 22, 1. 2 ; communio ). God verheerlijkt het heil waarmee Hij de ziel verkwikt in het geloof en waarvan Hij haar verborgen werkelijkheid en onderpand schenkt in de communie, met het water, de gave van het leven. Het oude beeld dat immer terugkeert, dat ook Jezus in de evangeliën weer opneemt en dat beduidt: leven en geluk tegelijkertijd. Of God noemt zijn gave licht dat het donker van de dood verdrijft. Hij zegt „tot hen die in duisternis zijn gezeten: „Komt tot het licht” ( Is. 49, 9 ; epistel). Jezus zelf spreekt in het evangelie: „Ik ben het Licht der wereld. Wie Mij volgt zal niet in duisternis wandelen, maar zal het licht des levens hebben” ( Joh. 8, 12 ).

Verkwikking voor het hart en licht voor de geest schenkt ons een verlossing die uitgaat van een liefde welke alle menselijke liefde oneindig te boven gaat. Dit zeggen ons de laatste verzen van het epistel. Zelfs Sion (de Stad Gods, de Kerk) zegt somtijds: „de Heer heeft mij verlaten, de Heer heeft mij vergeten!” Maar de Heer antwoordt: „Kan soms een vrouw haar kind vergeten en zou zij zich niet erbarmen over de zoon van haar schoot? En zelfs al zou zij vergeten, Ik zal u nooit vergeten” , zegt de almachtige Heer ( Is. 49, 14. 15 ).

2. De Almachtige zegt dat zijn liefde zachter en sterker is dan de onverwoestbare tederheid der moeder. En Hij zeide dit in de tijd van het Oude Verbond dat men de Wet der vreze noemt … Hij toverde voor onze geest met een weelde van oosterse beelden de belofte der verlossing die Hij in Christus heeft vervuld.

Toch zeggen ook wij ooit, met het verwoeste en desolate Jerusalem: „de Heer heeft mij verlaten, de Heer heeft mij vergeten. De Heer laat mij liggen als een vod langs de weg. Mijn gebed tot Hem is een roepen in de woestijn. Hij wil mijn ellende niet zien.” Wanneer zullen wij waarachtig geloven in zijn woord? Wanneer zullen wij begrijpen dat Hij zijn liefdevolle bedoelingen met ons nooit kan verwezenlijken, zolang wij niet geleerd hebben zuiver te geloven in een liefde, die wij zien noch voelen noch begrijpen kunnen? Wij schrikken altijd terug voor het kruis, voor de woestijn der dorheid, voor de bitterheid der vernedering. En wij weten toch (wij moesten het eindelijk aannemen als geestelijke werkelijkheid) dat er geen andere weg bestaat om te geraken tot die volheid van licht en leven, tot dat geluk , dat Hij ons biedt in Christus en zijn Kerk. „Zie, Ik heb u gegrift in de palm van mijn handen” ( Is. 49, 16 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *