In de handen van de Vader

295. Dinsdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

„Op U, Heer, heb ik mijn vertrouwen gesteld. Ik zeide: „Mijn God zijt Gij, in uw handen rust mijn lot” ( Ps.30, 15. 16 ; offertorium van de Zondag).

1. Een schoon psalmvers van godsvertrouwen, gelijk er vele staan in het psalterium . Wanneer wij op onze westerse wijze deze uiting der ziel die één levend geheel vormt, willen ontleden, kunnen wij drie delen onderscheiden: de uitspraak zelf van het vertrouwen ( „Op U, Heer, heb ik mijn vertrouwen gesteld” ), de diepe grond ( „mijn God zijt Gij” ;vgl.meditatie 271) en de consequentie er van ( „in uw handen rust mijn lot” ). Deze consequentie van het godsvertrouwen behelst meer dan het constateren van een feit, zij vordert een houding van de ziel. Zij eist dat wij ons lot niet in eigen hand trachten te nemen, maar het overlaten aan Hem bij wie het geheel berust. In verband hiermee zien wij, hoe soms zelfs de tekstkritiek ons geheel kan dienen. De laatste zinsnede luidt namelijk in de gewone vulgaattekst (en de oude Griekse vertaling) letterlijk: „in uw handen rust mijn lot . Maar in de oude Latijnse vertaling die het missaal gebruikt, staat eigenlijk: „in uw handen rust mijn tijden , precies zoals de oorspronkelijke, Hebreeuwse tekst luidt; als de psalmist wil zeggen: alle tijden van mijn leven, alle omstandigheden, groot en klein, alle dagen, gewichtig en gewoon, liggen besloten in uw hand. Zij zijn bepaald door uw macht, zij rusten in uw hand. Zij zijn bepaald door’ uw macht, zij rusten in de vaderlijke zorg, de sterke en tedere hand van uw voorzienigheid. Als we alleen op de Latijnse tekst letten, kunnen we zelfs vertalen: „mijn slapen rusten in uw hand” ; zoals de moeder haar handen legt om het hoofd van haar kind, dat moe is en afgetobd en eindelijk teruggekeerd van de wilde omzwerving. De brandende slapen worden afgekoeld, de onstuimige harteklop keert weder tot vertrouwde geborgenheid. Zo is het beeld van de ziel die waarlijk op God betrouwt, die met Jezus die andere woorden uit dezelfde psalm tot haar eigen mag maken: „In uwe handen beveel ik mijn geest. Gij hebt mij verlost, Jahweh, trouwe God. Want de Heer is een eeuwige Rots” ( Is.26, 4 ).

2. Wij handelen veelal alsof het godsvertrouwen alleen te pas komt in tijden van nood, in de grote onzekerheden van ons bestaan. Deze opvatting is fout en oorzaak dat ons leven veel moeilijker verloopt en minder vruchtbaar in geestelijk opzicht dan in Gods bedoelingen ligt. Ons gehele leven is onzeker, wanneer wij het beschouwen van beneden af, van onszelf uit, zoals wij onvermijdelijk doen, indien wij het in eigen hand nemen en zelf trachten te regelen. Het is hierom ook dat het godsvertrouwen een grote zelfverloochening vraagt, een opgeven van onze eigen berekeningen, een loslaten van onze greep. En wij weten heel goed dat onze eigen voorzienigheid slechts ingebeeld is, dat wij ons lot niet in onze macht hebben, noch in de grote lijn noch in de details. Toch kunnen wij het bijna niet laten deze geestelijke zelfgenoegzaamheid na te streven, totdat het leven zelf ons ontglipt en zijn zware slagen ons onze ontoereikendheid opnieuw inhameren.

Hoeveel gemakkelijker leeft hij die zijn lot geheel aan God overlaat, die zijn hoofd in Vaders handen laat rusten. En hoeveel zuiverder beantwoordt hij aan de diepe werkelijkheid des levens; hoeveel realistischer is deze zeldzame houding der ziel die ons de onbevangenheid teruggeeft van het kind ! „Zalig die de Heer vreest. Naar wie ziet hij uit en wie is zijn steun? De ogen des Heren rusten op wie Hem beminnen. Hij is een machtig schild en een sterke stut, een beschutting tegen hitte, een schaduw voor de middagzon, een steun bij het struikelen en een hulp bij vallen. Hij verkwikt de ziel en verlicht de ogen. Hij schenkt heil en leven en zegen” ( Eccli.34, 17-20 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee