In de hemel leven

192. Hemelvaart des Heren

Dit is de vrucht van het mysterie dat wij heden vieren: dat wij, terwijl wij nog op aarde verblijven, onze verheerlijkte Verlosser in de geest naar de hemel volgen en daar, zoals de oratie het uitdrukt, een geestelijke woning kiezen. Mente in caelestibus habitemus . De Kerk bedoelt hiermee niet een vluchtige gedachte aan de hemelse dingen te midden van aardse bezigheden die voortdurend onze volle aandacht eisen, maar een vaste woning in de hemelse regionen, zoals past aan christenen, die naar het woord van de apostel „burgers zijn van het rijk der hemelen” ( Phil. 3, 20 ). Toen de leerlingen hun Meester naar de top van de Olijfberg hadden begeleid, „werd Hij opgenomen en een wolk onttrok Hem aan hun ogen” . En toen zij maar bleven staren naar de stralende hemel waarin Hij verdween, verschenen hun twee mannen in witte klederen, die hun zeiden: „Mannen van Galilea wat staat ge daar op te zien naar boven? Deze Jezus die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen als gij Hem ten hemel hebt zien varen” ( Hand. 1, 9-11 ). Het is alsof de engelen de apostelen tot de aardse werkelijkheid moeten terugroepen. Zij moeten terugkeren en afdalen naar Jerusalem om de komst van de Heilige Geest af te wachten die hen zal voorbereiden op hun grote taak. Met ons staat het omgekeerd. De Kerk neemt ons heden bij de hand en richt onze ogen en harten omhoog. Dáár is ons vaderland en onze woning, dáár is ons ware leven, „met Christus verborgen in God. Zoek de dingen die boven zijn, waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op aarde zijn” ( Kol. 3, 1-3 ). Wij lopen uit onszelf weinig gevaar „naar de hemel te blijven staren” . Wij zijn aards genoeg. Van alle kanten dringen door de zinnen stoffelijke indrukken onze ziel binnen. Allerlei tijdelijke zorgen nemen ons in beslag. Voortdurend wordt ons hart getrokken door aardse begeerten: geld, genot, luxe, comfort, eer, erkenning, haat en liefde. „De eerste mens is uit aarde, stoffelijk” en wij dragen nog immer zijn beeld ( 1 Kor. 15, 47-49 ). Maar nu willen wij het beeld van de hemelse mens, Christus, dragen, reeds in ons sterfelijk leven op aarde, „om niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God, de tijd die nog rest in het vlees, te leven” ( 1 Petr. 4, 2 ).

De Kerk bedoelt met haar bede, dat wij naar de geest in de hemel mogen wonen, twee dingen. Vooreerst en vooral dat onze geest door geloof en beschouwing zoveel mogelijk met Christus in God moet leven. Er is altijd weer die gelukkige, niet vicieuze cirkel: als wij standvastig in veel en vurig gebed onze geest op de hemelse dingen richten, zal de zonde ons steeds minder boeien. En naarmate wij in aanvankelijk moeizame versterving ons hart losmaken van alle zelfzucht, zal ons het inwendig gezicht worden geschonken dat ons in staat stelt Christus te zien en in waarheid „geestelijk” te leven. Eenvoudiger gezegd: als Christus werkelijk onze liefde is, zal ons verlangen vanzelf uitgaan naar de hemel om „bij Hem te zijn” . Want waar onze schat is, daar verblijft ons hart.

Hiermee hangt een tweede ding samen. De Kerk wil voorzeker dat wij onze aardse taken getrouw en reëel verrichten, zolang God ons tijd en krachten schenkt. Maar wij mogen daaraan ons hart niet verliezen. De aardse werkzaamheid mag de hemelse blik niet vertroebelen of verduisteren.

Het mysterie van ’s Heren „wonderbare Hemelvaart” betekent voor ons: Sursum corda . De Heer, ons ware en eeuwige Leven, is ons voorgegaan. Hij die onze Liefde is, zetelt aan ’s Vaders rechterhand, vanwaar Hij ons de Geest zendt. Hij houdt onze plaatsen bereid. Omhoog de harten!

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *