In God alleen is onze kracht

66. Donderdag na de Derde Zondag na Driekoningen

„Almachtige, eeuwige God, zie goedgunstig neer op onze zwakheid” (oratie)

„Zonder Mij kunt gij niets,” hebt Gij gezegd, o Heer, en uw grote heilige Augustinus vermaant ons dit goed te begrijpen: „Jezus zegt niet: „Zonder Mij kunt ge weinig” , maar: „Zonder Mij kunt ge niets” . Het is inderdaad een wezenlijk verschil, Heer. Wie weinig vermag, kan altijd hopen tot het meerdere te komen en misschien tot het vele. Wie niets kan, wel, hoe eenvoudig is dat! Hij zal uit zichzelf nooit iets vermogen. Geef ons uw licht en uw genade om deze waarheid te overwegen.

1. Daar is vooreerst het volstrekte en radicale onvermogen van onze natuur en alle zuiver menselijke krachten ten overstaan van het bovennatuurlijke heil waartoe God ons in Christus heeft geroepen. Deze „zwakheid” geldt zonder meer voor allen, ook voor de zogenaamd sterke naturen en de grote wilsmensen. Hier klinken Jezus’ woorden „Zonder Mij kunt gij niets” zonder enige beperking. Het is waar dat Gods genade in Christus „rijk is voor allen” en aan allen wordt aangeboden. Wie gedoopt zijn en werkelijk in Christus geloven, ontvangen „leven en leven in overvloed” . Maar het is heilzaam en noodzakelijk zich er diep van bewust te blijven dat dit bovennatuurlijke leven en deze krachten des Geestes ontvangen zijn, niet aangeboren noch verworven in de strikte zin van het woord. Hoe waar dit is en hoe weinig wij eigenmachtig kunnen beschikken over wat Gods gave is, weten zij die ondanks alle goede wil soms jarenlang zijn gedompeld in een woestijn van dorheid, in een (schijnbare) onmacht om te bidden. En wij allen ondervinden ooit in ons leven welk een grondeloze mogelijkheid toto zonde er schuilt in onze ziel, en ons zou overmeesteren zo Gods hand ons niet vasthield. Deze ervaringskennis van het eigen onvermogen, hoe smartelijk ook, zal met Gods genade de ziel vestigen in een diepe nederigheid. En dit fundament van ons geestelijk gebouw is met geen prijs te duur betaald.

2. Bovendien hebben wij allen Gods „genezende” genade nodig wegens de verduistering van het verstand en de verzwakking van de wil door de erfzonde, die blijven nawerken, ook nadat de mens door de genade tot de bovennatuurlijke orde is verheven. Ook aan deze zwakheid lijden allen zonder uitzondering, al is ze niet in allen in dezelfde mate en op dezelfde wijze aanwezig. Want al schijnt het ene temperament meer geschikt dan het andere om de heiligheid na te streven, wij mogen niet vergeten dat allen op een of andere wijze door de erfzonde zijn gewond. Gods genade eist niet zozeer een sterke, als wel een deemoedige en eerlijke wil, en het beetje meer energie dat de ene mens boven de andere schijnt te bezitten, staat in geen enkele verhouding tot Gods almacht, die zich bij voorkeur bedient van het kleine en zwakke. „De kracht komt eerst in zwakheid tot haar recht” ( 2 Kor. 12, 9 ), „De machtigen haalt hij neer van de troon, maar Hij verheft de geringen” ( Magnificat ).

3. En van al onze krachten en vermogens, wat ze dan ook mogen zijn, geldt Sint Paulus ‘ woord: „Wat hebt gij dat ge niet hebt gekregen?” ( 1 Kor. 4, 7 ). Elke mens is naar heel zijn wezen, doen en kunnen een schepsel, door God geschapen en voortdurend door God in stand gehouden. Gods werken is altijd door het enige wat ons scheidt van het volstrekte niets. Hoe waar is het dat God alleen alle glorie toekomt en hoe goed is het met de Kerk te bidden: „Almachtige, Eeuwige (Gij alleen), zie goedgunstig neer op onze zwakheid” . Niet is onverdraaglijker voor God en de mensen dan geestelijke hoogmoed, de zonde der farizeeën. „Jezus sprak tot hen: „Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en zondaressen zullen eerder in het Rijk Gods binnengaan dan gij” ( Mt. 21, 31 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *