Inwendig gebed

5. Donderdag na de Eerste Zondag van de Advent

Het gaat de wereld slecht, omdat er te weinig liefde is en er is te weinig liefde, omdat er te weinig wordt gebeden. Te weinig gebed niet enkel in de zin van te weinig smeekgebed om de grote gave der liefde, maar vooral te weinig gebed als oefening en vrucht der liefde. Wij kennen allen die schone begripsbepalingen van het ware bidden: het is de ademhaling der ziel, de opgang van onze geest naar God, een tweespraak tussen de ziel en haar Schepper. Maar wij leven daar niet naar. Wij gunnen ons geen tijd. Wij missen de moed om te blijven staren in het ondoorgrondelijke Licht. Wij ontberen de volharding om ook indien wij niet spoedig tastbare resultaten waarnemen, het denken aan de schepselen consequent te blijven uitsluiten. Als wij een klein half uur gemediteerd hebben, vinden wij het al lang prachtig en bedenken niet dat normaal genomen onze geest dan pas een weinig tot rust begint te komen en in te keren tot God. De heiligen die het toch weten konden, waren niet zo zuinig met hun tijd.

En het ontbreekt ons veelal ook aan het juiste inzicht. Wij worden wellicht wat belemmerd door methoden, door ingespannen gedachtenarbeid, door formules, door woorden en boeken. In zijn wezen is het inwendige gebed zeer eenvoudig. Het is inderdaad de ademhaling der ziel, het spontane en innige verkeer met God. Wat is daarvoor nodig? Eigenlijk slechts twee dingen, maar die zijn ook volstrekt onontbeerlijk: instemming met Gods wil en ingekeerdheid. Natuurlijk wordt er geen volmaakte liefde vereist om het inwendige gebed te beoefenen; het gebed is veeleer het grote middel om geestelijk daar naar toe te groeien. Maar het zuivere gebed zal onmogelijk zijn, zolang onze wil zich bewust blijft afkeren van het goddelijke welbehagen. En ingekeerdheid: innerlijke en uiterlijke rust, het volhardende pogen om alles af te snijden wat van God afleidt. Het pogen, want wij zullen er maar zelden in slagen dit doel volkomen te bereiken. Doch wat God van ons vraagt is juist dit vasthoudend trachten, dit blinde tasten van onze aandacht, dat immers niets anders is dan het constante streven van onze wil naar God alleen, dat is: zuivere liefde.

Het gebed, dat wij hier bedoelen, is als het ware de bewust geworden kern van onze verhouding tot God, die sluimert in het diepst van elke herboren ziel, het innige besef van ons kindschap, de vreugde van het weten, dat wij door zijn genade leven mogen voor zijn aanschijn. De beschouwing is geen gevoelskwestie, zij is het werk van de drie goddelijke deugden (van die deugden dus welke ons rechtstreeks met God verenigen): de blik van onze geest, te midden van duisternis en aanstormende verstrooiingen standvastig op God gericht, is het geloof, het verlangen is de hoop; en de liefde is de liefde zonder meer.

Wat wij nodig hebben is de moed om in deze houding der ziel te volharden en de zelfverloochening om de schepselen en onszelf te blijven negéren. En rust : geen opwinding, geen opgeschroefd gevoelswerk, geen bezorgdheid, geen inspanning van fantasie en redenerend verstand, geen onnodige bewegingen van de geest, maar een rechtstreeks gaan tot God, een liefdevol schouwen op Hem gericht die de Liefde is en naar wie ons wezen geheel uitgaat, zo wij het met zijn hulp vrij weten te maken en stil, zo wij door de oppervlakte heenstoten tot de kern waarop zijn genade beslag legde. Dit is het werk van onze inkeer bij het inwendig gebed. Het is beter aan God te denken dan over Hem te denken, „Goed is de Heer voor die op Hem hopen, voor iedereen die Hem zoekt” ( Klaagl. 3, 25 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *