Kinderlijk geloof

39. Octaafdag van de Heilige Onnozele Kinderen 4 Januari

Het geestelijk kindschap dat Jezus van zijn volgelingen vraagt, bestaat in de simpele directheid van het geloof. Deze eigenschap komt het geloof krachtens zijn wezen toe. Het is juist niet de vrucht van redenering, de slotsom van menselijke bedenksels, een wat bitter bezinksel van wijsheid op de bodem van ervaringen. Het is een eenvoudig aannemen van dingen op Gods gezag, een leven in een geestelijke realiteit die ook de gelovige zelf niet aanschouwt en de daaraan beantwoordende houding der ziel: overgave aan de verborgen God. „Het geloof is een vaste grond voor wat men hoopt, een overtuiging aangaande dingen die men niet ziet” ( Hebr. 11, 1 ). Men kan het dus ook zó formuleren: het geloof eist een voortdurende correctie van het menselijke inzicht dat, naarmate het dieper is gegroeid en steviger gevestigd in de natuurlijke realiteit, zich des te moeilijker corrigeren laat. De wijze mens weet te veel om zijn oordeel gemakkelijk op te geven. Het kind dat geen ervaring bezit noch de wijsheid die het sprookje doodt, gelooft gaarne en zonder aarzeling. „In die ure verblijdde Hij zich in de Heilige Geest en sprak: „Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en aan kleinen (onmondige kinderen) hebt geopenbaard. Ja, Vader, zo is uw welbehagen geweest” ( Lk. 10,21 ). Waarom verdraaien wij altijd de betekenis van dit woord door te beweren dat Jezus hier de waanwijzen bedoelt?

De maagden volgen het Lam waarheen het ook gaat (epistel). Er bestaat ook een maagdelijkheid van de geest die de goddelijke waarheid louter aanneemt en haar ongeschonden bewaart. Wij geloven Gods openbaring theoretisch, doch wij leven er niet naar. Maar dit vindt zijn oorzaak hierin dat wij ook niet volmaakt geloven, dat wij niet werkelijk Christus’ leerlingen zijn ( Joh. 8, 31 ) op de wijze van het kind dat zijn onbevangen vertrouwen in zijn ouders als vanzelfsprekend beschouwt.

2. Het gevolg van onze terughoudendheid tegenover de goddelijke realiteit is, dat de rijkdom van het eeuwige leven dat Christus ons heeft geschonken, ons ontgaat. Ons leven wordt zo oneindig armer dan nodig is. Wat belet ons, wanneer wij over een stille landweg gaan en zelfs wanneer wij ons door een drukke straat haasten, tegelijkertijd te weten dat God met ons is en in dat bewustzijn gelukkig te wezen? Alleen de bloedarmoede van ons geloof, de zwakheid van onze „overtuiging aangaande de dingen die men niet ziet” . Iedereen die zijn katechismus kent zal desgewenst antwoorden dat de heilige Drieëenheid door de genade woont in de ziel van de rechtvaardige, dat God alomtegenwoordig is, dat zijn macht, wijsheid en liefde werkzaam zijn in alle schepselen. Maar alleen hij die kinderlijk gelooft en zich in de geestelijke strijd heldhaftig inspant, zal kinderlijk verwonderd en dankbaar verrukt blijven over al deze allerhoogste werkelijkheid, en hij zal ervaren dat deze inwoning Gods wil zeggen: liefde van voorkeur, vergeestelijking, rust en zekerheid, zaligheid en smart, en opname in het licht des Heren.

„Ik wenste alles te kunnen zeggen, welk een bron van kracht, van vrede en ook van geluk zij zouden vinden, indien zij in een inniger verkeer met de heilige Drieëenheid trachtten te leven. Maar zij kunnen niet wachten. Als God zich niet op een gevoelige wijze meedeelt, verlaten zij zijn heilige tegenwoordigheid. En als Hij tot hen komt met al zijn gaven, vindt Hij niemand thuis. De ziel is uit, naar de uitwendige dingen. Zij wonen niet in het diepst van zich zelf” ( Zuster Elisabeth van de heilige Drieëenheid ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *