Leven met God

261. Woensdag na de Achtste Zondag na Pinksteren

„Geef dat wij die zonder U niet kunnen bestaan, volgens uw wil mogen leven” (oratie van de Zondag)

1. De Romeinse liturgie houdt in haar oraties van spitse tegenstellingen in een bondige stijl uitgedrukt. Het gebed van de mis van de Zondag bevat er een, zo kernachtig, dat wij die in onze taal nauwelijks vermogen weer te geven. Letterlijk staat er: „Geef ons dat wij die zonder U niet kunnen zijn, volgens U mogen leven” . De eerste zinsnede grift ons weer diep in het bewustzijn, hoezeer wij als schepselen en zondige mensen totaal van God afhankelijk zijn. „Wij kunnen zonder U niet eens bestaan” , zonder uw almacht die met ons het zijn, alle zijn, alle werkelijkheid die er aan ons is, gegeven heeft en voortdurend blijft scheppen, — zonder uw wijsheid, die met alles omvattende voorzienigheid ons leven bestuurt in de grote lijn, ons veelal onzichtbaar, en in alle bijzonderheden, — zonder uw goddelijke goedheid, immer opwellende bron van het goede waaruit alle gaven ons toevloeien, — zonder uw barmhartigheid en lankmoedigheid, die ons vergiffenis schenkt en onze zwakheid weer opricht, die onze ellende verdraagt en draagt door alles heen.

2. En wij, die zonder U niet kunnen bestaan, wij durven vragen en wij moeten vragen, dat wij leven mogen volgens U . Wij die niets zijn, wij wagen het (en het is uw wil in Christus dat wij bestaan) te willen leven naar uw wil en wezen. Want uw kinderen zijn wij in Christus, uw eerstgeborene, die niet aarzelde ons eenvoudig te bevelen: „Weest volmaakt gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” . Volgens U leven, dat wil allereerst zeggen: onze wil zo volkomen mogelijk afstemmen op uw goddelijke wil, die Gij ons openbaart in het voorbeeld van uw Zoon, in het evangelie, in de leiding van Christus’ Kerk, in de inspraken van ons geweten en uw genade, in de mogelijkheden van onze natuur, in de omstandigheden van ons leven. Kinderen gelijken op hun vader. „Weest navolgers van God, zoals past aan veelgeliefde kinderen” ( Eph.5, 1 ).

3. Maar zal het ons mogelijk zijn volgens uw wil te leven, zo wij niet trachten in U te leven? Wanneer wij zonder U niet eens het bestaan ons eigen kunnen noemen, hoe zullen wij het volmaakte leven volgens U vermogen te bereiken, indien wij niet leven met U en in U? Laat onze geest verwijlen bij U in geloof en beschouwing, opdat wij het doel zien en de weg, opdat wij U immer aanziende gesterkt worden tot het volmaakte leven. De oude heidense wijsgeer beschaamt ons, die het schone woord naliet: „Denk aan God vaker dan gij ademhaalt” ( Epictetus ,fragm.119). Dan zal in ons leven de goddelijke eenheid komen waarvan Jezus spreekt: „Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij tot volkomen eenheid geraken” ( Joh.17, 23 ), en het enig verlangen beheersen dat de dichteres bezingt:

„Uw straling schonkt ge me, uw kern nog niet,
Eén gave onthieldt ge me nog en ik derf
z’al nooder. Daarom vraag ik: eer ik sterf
geef me, al mocht het ook slechts éénmaal zijn,
mij te zonne’ in den glans van uw aanschijn.
Doorscheur ’t gezicht eener Alomme Tegenwoordigheid
éénmaal voor mij ’t weefsel van ruimte en tijd.
— Maar zoo ‘k dit beleven niet waardig ben,
laat dan aan d’overzij der diepe wateren
mijn wezen, als een pijl gericht,
toevliegen recht op uw Onmeetlijk Licht”

( Henriette Roland Holst-v.d.Schalk ,
Tussen Tijd en Eeuwigheid).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)