Licht in de duisternis

231. Maandag na de Vierde Zondag na Pinksteren

„De Heer is mijn licht en mijn heil. Wie zou ik vrezen?” ( Ps. 26, 1 ). „Verhelder mijn ogen, opdat ik niet inslape ten dode” ( Ps. 12, 4 ; introitus en offertorium van de Zondag).

1. Jezus is het licht van de wereld en van elke mens afzonderlijk. De wereld verkommert en raakt verward in de strijd en ellende die steeds hopelozer lijken, omdat zij weigert in Christus te geloven. „Het waarachtige Licht kwam in de wereld en de wereld heeft Hem niet erkend” ( Joh. 1, 9. 10 ). Eeuwig waar woord van eeuwige tragiek! Tragedie der mensheid, want Gods wezen wordt er niet door geraakt. Maar de Logos , het Woord, is mens geworden en in zijn mensheid heeft Hij aller tijden treurspel doorleefd en doorworsteld tot de dood toe. Doch die in Hem geloven, hun gaf Hij de macht kinderen Gods te worden. „Wie Mij volgt zal niet in ’t donker wandelen” ( Joh. 8, 12 ). Het zijn zij die door Gods genade uit de duisternis der wereld zijn genomen en met de Kerk zingen in hun opgang naar het heiligdom: „De Heer is mijn licht en mijn heil. Wie zou ik vrezen?”

De zekerheid van het begonnen heil kan de christen met sterke vreugde vervullen. En wanneer zal zijn hart blijder kloppen dan op het ogenblik, dat hij met de kinderen des lichts vereend in het Lichaam van Christus dat de Kerk is, Christus’ ene en volmaakte offer vieren gaat? In de gave der eucharistie wordt hij Christus’ licht opnieuw en overvloedig deelachtig: het onsterfelijke leven, „het erfdeel der heiligen in het licht” ( Kol. 1, 12 ), „van hen die de Heer Jezus Christus onvergankelijk liefhebben” ( Eph. 6, 24 ).

„Wie zou ik vrezen?” Wat ons ontbreekt, is steeds geloof . Het is waar, het geloof zelf is duisternis. Maar in die duisternis glanst een verborgen licht dat ons nooit bedriegt. Wij mogen niet wankelen in ons vertrouwen op Christus. Hij is het volmaakte en loutere Licht. „Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden” ( Rom. 10, 11 ).

2. Wanneer wij concreter willen spreken, zie ik het licht, dat in onze ziel moet schijnen, vooral bedreigd van twee zijden. Op de eerste plaats is er de wankelmoedigheid van ons eigen hart. De vijanden, die wij zonder Christus zouden duchten, zijn naar oud-christelijke overlevering drie in getal: de duivel, de wereld en de zelfzucht. Maar de twee eerste vermogen niets, zo onze geest zegeviert over het vlees en in Christus’ licht gevestigd blijft. Het is onze eigen „kleingelovigheid” die ons verlamt. Wij vermogen de duisternis die aan het geloof wezenlijk eigen is niet te dragen. En daardoor alleen , door dit wandelen, onbevreesd, in het donkere dal, zullen wij met de Heer verenigd worden. Daardoor alleen geven wij Hem de eer die Hem als God toekomt. Wanneer wij geen enkele uitweg zien in ons leven en van binnen bestormd worden door angst, onzekerheid en zelfs wanhoop, dan geldt het te geloven in de onzichtbare liefde; dan wordt van ons gevraagd het heldhaftige geloof in het donkere Licht.

En het andere gevaar bedreigt een heel ander soort mensen (of dezelfde mensen in andere tijden en stemming): oppervlakkigheid, zich overgeven, zonder christelijke zelfkritiek, aan verstrooiing en uitwendigheid. En zonder de christelijke kijk op de wezenlijke waarde der vergankelijke dingen. Het zich laten inwikkelen in een sluier van zinnelijke en aardse indrukken, die steeds ondoorzichtiger wordt en ondoordringbaar voor het licht dat van Christus komt. „Verhelder mijn ogen opdat ik niet inslape ten dode.” „Ontwaak gij slaper. Sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten!” ( Eph. 5, 14 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *