Liefde en formalisme

314. Zestiende Zondag na Pinksteren

„Eens kwam Jezus op een sabbat in het huis van een der voornaamste farizeeërs om de maaltijd te gebruiken; en men bespiedde Hem. En zie, daar stond een man voor Hem, die aan waterzucht leed. Jezus nam het woord en sprak tot de wetgeleerden en farizeeërs: „Mag men op een sabbat genezen of niet?” Zij zwegen. Toen raakte Hij hem aan, genas hem en zond hem heen. Nu sprak Hij tot hen: „Wie van u zal zijn zoon of zijn os die in de put is gevallen, niet aanstonds, ook op een sabbat, er uit trekken?” En zij wisten hier niets tegen in te brengen” ( Lk.14, 1-6 ; evangelie).

1. Misschien hadden wij nog een antwoord geweten op Jezus’ laatste vraag. „Een genezing kan men uitstellen tot de volgende dag, maar mijn kind zou verdrinken zo ik niet aanstonds hulp bood” (gesteld dat wij de moed hadden nog één woord uit te brengen in tegenwoordigheid van de goede en almachtige Meester). Want ook wij hebben evenals de farizeeërs van toen een uitgebreide casuïstiek ter beschikking van onze gemak- en behoudzucht. Maar wetten en verordeningen verliezen in het christendom hun zin, indien zij de liefde, dat is, de mens, die Jezus heeft verlost, niet dienen. Dan worden zij dor geraamte dat de levende godsdienst dooddrukt. Dit is het juist wat Jezus hun en ons wilde leren. „Waarom overtreedt gij Gods gebod om wille van uw overlevering? Want God heeft gezegd: „Eert uw vader en uw moeder” ; en: „Wie vader of moeder vloekt, moet sterven” . Maar gij verklaart: „Wie tot vader of moeder zegt: „Alles waarmee ik u van dienst zou kunnen zijn, is tot offergave bestemd, behoeft vader of moeder niet te eren” .” En om uw overlevering ontkracht gij Gods gebod” ( Mt.15, 2-6 ). Merk op dat in beide gevallen de farizeeërs een bezwaar hadden van godsdienstige aard: de sabbatwet en de gelofte; en beide malen werd deze religieuze zwarigheid ingeroepen om hulp aan de evenmens te weigeren.

„Barmhartigheid wil Ik en geen offerande” ; dit grote woord van de profeet maakt Jezus tot het zijne ( Mt.9, 13 ). Gods gebod in zijn nieuwe wet is liefde, liefde voor God en voor de naaste. Dit gebod komt de voorrang toe boven alle andere.

2. Typerend voor de mentaliteit der farizeeërs is dat zij „zwegen” op Jezus’ vraag: „Mag men op de sabbat genezen of niet?” Het is zeker dat zij de handelwijze des Heren in hun hart veroordeelden, maar een voorzichtig afwegen der omstandigheden doet hen zwijgen: kat uit de boom kijken, prestigeverlies schuwen als de pest, voorrang van uitgerekende voorzichtigheid boven de liefde. voorzeker moeten inzicht en verstand aan onze daden richting geven, maar ten slotte moet ook deze prudentia in dienst staan van de charitas , en niet omgekeerd. Als de Heer voorzichtig was geweest in hun zin (die o zo dikwijls de onze is), zou Hij nimmer aan het kruis zijn geslagen. Als Sint Paulus gezwegen had waar spreken gevaar opleverde en de heilige noodzaak der liefde hem voortstuwde ( „wee mij, zo ik het evangelie niet verkondig …” ), hadden de heidenen de blijde boodschap niet vernomen. Als Sint Franciscus Xaverius „voor zijn gezondheid redelijke zorg had gedragen” , zou hij niet eenzaam, in de bloei van zijn leven, zijn gestorven op een eilandje voor de Chinese kust.

Wellicht zal men zeggen: „dit waren uitzonderlijke roepingen” . Het zij zo. Doch luisteren wij naar wat de Navolging toch wel voor allen schrijft: „De minnaar vliegt en rent en is verheugd. Hij is vrij en laat zich niet weerhouden. Hij let niet op de gaven, maar wendt zich boven alle goeds tot de Gever zelf. Liefde kent dikwijls geen maat, doch wordt vurig bovenmate. Liefde voelt geen last en acht de moeiten niet, wil meer dan zij vermag. Zij beroept zich niet op overmacht want zij meent dat zij alles kan en dat alles haar vrijstaat” ( Navolging van Christus III, 5, 4).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee