Lijden met Christus

13. Vrijdag na de Tweede Zondag van de Advent

Al is de Heer in zijn glorie verheven boven alle pijn en alle smart, zijn gezegend lijden leeft onder ons voort. Niet enkel op mystieke wijze door het offer der mis, dat de „herinnering van zijn passie” bevat en er de rijke vruchten van uitdeelt. Ook op een tastbare wijze door het leed der mensen die met Hem verbonden zijn. Sint Paulus kon zijn eigen lijden beschouwen als een aanvulling van Jezus’ smarten, niet van hun verdienende of voldoenende waarde, maar als bijdragend tot de som van het lijden die God voor de Kerk, Hoofd en leden, heeft vastgesteld.

Als een mens lijdt, is het Hem niet onverschillig, want Hij is het Hoofd der gehele mensheid. Wij stonden tegenover het lijden hoogstens met machteloze deernis. Zelfs de heilige schrijvers van het Oude Testament kenden geen heul voor deze kwaal; het lijden der vromen stak als een angel in hun vlees en verbitterde hen. Maar Jezus is gekomen en de smart van de mens Jezus heeft alle smart gewijd. Hier ligt de diepe grond van de heiligheid van het medelijden, zoals alleen de christenen het kennen. De lijdende mens heeft zijn onvervreemdbaar recht op eerbiedige deernis die niet berust op sentimentaliteit, maar op de wonden des Heren. Jezus heeft over de heidense wanhoop van de smart gezegevierd door zelf het lijden in te gaan. Hij trad die donkere tunnel binnen en de duisternis heeft Hem geheel omgeven vóór Hij de Hem toekomende glorie inging. Jezus heeft het lijden niet overwonnen op afstand. Hij heeft de ban niet gebroken als een tovenaar door zijn spreuk, maar door als een ellendig mens te bezwijken onder het kruis. „In zwakheid wordt Gods kracht volkomen” ( 2 Kor. 12, 9 ).

En nu vraagt Hij ons dat wij lijden willen met Hem. Dit behelst twee dingen. Het eerste is dat wij niet lijden als heidenen die de smart zo lang mogelijk negeren en als dat niet langer gaat, geen weg weten met het vreemde element dat in hun leven niet past. Dat wij het lijden zien als wezenlijk deel van het christelijk bestaan. Dat wij er raad mee weten, en goede raad. Dat het ons niet door verbittering (of door morrende en halve onderwerping) van Hem verwijdert, maar integendeel inniger met Hem verenigt. En bedenk: ook het geringste lijden is goed genoeg voor Hem. Zijn liefde weet uit alles vrucht te trekken, indien wij slechts blijven in Hem en nederig genoeg zijn om met een glimlach van Hem te aanvaarden dingen als slecht weer, een pijnlijke kies en het belachelijke figuur dat wij, gelukkig, allen ooit slaan. Hoe zoudt gij het zware kruis aanvaarden, als gij niet hebt geleerd in het kleine leed de hand des Vaders te herkennen?

Het tweede is dit: Jezus vraagt dat ook indien het eigen leven ons niet zwaar valt, wij onze ogen niet sluiten voor het leed der anderen. Dat wij medeleven met het immense lijden der mensheid. Dat wij niet door een fictie van onze geest en door verharding van het hart ons trachten op te sluiten in een toren van egoïstisch isolement. Onwerkelijk is zulk een houding, want ook aan onze deur zullen lijden en dood niet voorbijgaan. Maar bovenal : wij moeten met geloof en liefde midden in de werkelijkheid staan die is: het mystieke en lijdende Lichaam van Christus.

„Zalig zij die treuren.” „Weent met de wenenden” ( Rom. 12, 15 ). „Niemand van ons leeft voor zichzelf. Want zo wij leven, leven wij voor de Heer en zo wij sterven, sterven wij voor de Heer. Of wij dus leven of sterven, de Heer behoren wij toe” ( Rom. 14, 7.8 ). Verenigen wij onophoudelijk onze eigen smart en het leed der mensen met het eeuwigdurende offer des Heren. Ons lijden is van zijn zalig lijden het aardse verlengstuk, dat door het Lam voor de troon des Vaders wordt geheven en geheiligd.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *