Mensenwerk in de dingen van God

298. Vrijdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

„En de Heer sprak: „Wijl dit volk tot Mij nadert met zijn mond en Mij eert met de lippen, maar zijn hart ver van Mij verwijderd houdt en hun godsvrucht een aangeleerde les van mensen is, daarom blijf Ik wonderlijk handelen met dit volk, wonderbaar en op wondere wijze en de wijsheid zijner wijzen zal vergaan en het verstand van hun verstandigen zal verdwijnen” ( Is.29, 13. 14 ).

1. Jezus haalde de eerste helft van deze profetische woorden aan om ze toe te passen op de farizeeërs van zijn tijd ( Mt.15, 8 = = Mk.7, 6 ). Wederom geldt: het farizeïsme is van alle tijden, al zal het zich niet altijd uiten in de hatelijke vormen welke Jezus hekelde. De formule van Isaias is niet te verbeteren: „dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij; hun godsdienst is een les van mensen, aangeleerd” . Er is niets wat de ware godsdienst meer afbreuk doet dan deze houding van onechte vromen. Er is te veel mensenwerk in de godsdienst. Tot zekere hoogte is dit onvermijdelijk, zolang mensen mensen blijven. Maar dat men, in het voetspoor der oude farizeeërs, zijn menselijke bedenksels als goddelijk maaksel aanprijst, dat men in feite meer waarde hecht aan zuiver menselijk gevonden devotie-oefeningen dan aan de christelijke deugden van rechtvaardigheid, sociale gerechtigheid en naastenliefde, dat men profiterend van zijn overheidspositie eigendunkelijk gaat opereren met Gods wil als droeg men die in zijn zak, dat men zijn doodgewone menselijke eigen zin of intriges durft proclameren tot goddelijk welbehagen, — dat alles is ten enen male verfoeilijk. Dergelijke lieden geven veel groter ergernis dan de door hen zo verachte gewone zondaars. De zonde van het vlees is de zwakheid die men van mensen kan verwachten, maar dat officiële vromen van de vroomheid misbruik maken om hun hebzucht en machtswellust te camoufleren compromitteert in de ogen van buitenstaanders de zaak van God zelf en legt aan ware vromen niet zelden een bijna ondraaglijk kruis op.

2. Dikwijls zullen de uitingen van lippencultus en profane gezindheid onder ons niet zó ergerlijk zijn. Toch is er voor allen reden zich af te vragen of hun godsdienst geen elementen bevat van de „aangeleerde les van mensen” . De mens, vooral de vrome, heeft de onuitroeibare neiging zich vast te leggen op oefeningen en vormen, die toch grotendeels van menselijke oorsprong zijn, niet een „aanplanting die de hemelse Vader heeft geplant” ( Mt.15, 13 ). Anderzijds zijn, zolang wij op aarde, aardse mensen, verblijven, vrome praktijken, regels en orde noodzakelijk om de dienst des Heren niet te laten verwateren tot wankel gevoelswerk. Het is zaak ook hier het juiste midden te houden en vooral de rechte opvatting te bewaren in de dingen van God. Al te veel „oefeningen” laten ons vanwege de bomen het bos niet meer zien. Een vals verstane „aanbidding in geest en waarheid” leidt er niet zelden toe dat men helemaal niet meer bidt.

Ware vroomheid eist een krachtige en volgehouden inspanning van de wil, eist ook onthechting en zelfverloochening, — maar tegelijk de praktischeerkenning van de goddelijke genade, van Gods werk , als de voornaamste factor in onze verhouding tot Hem. „Indien er een wet was gegeven die levend kon maken, dan zou inderdaad uit een wet de gerechtigheid (het heil) voortgekomen zijn” ( Gal.3, 21 ; epistel van de Zondag). Maar het is nooit de onderhouding van de wet alléén die het heil schenkt; want wetsonderhouding alléén blijft mensenwerk, ook in het christendom. Wij worden slechts gered door Gods goedertierende genade, door zijn Geest ons in het doopsel om niet geschonken, die ons in liefde en rechte gezindheid zijn wetten doet onderhouden. En dan nog schieten wij talloze malen te kort en behoeven wij voortdurend Gods barmhartigheid die Hij de nederigen gaarne betoont. „Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden (door God)” ( Mt.5, 6 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)