Nederigheid

319. Vrijdag na de Zestiende Zondag na Pinksteren

Het kinderlijke vertrouwen op Gods almacht waarover wij gisteren mediteerden, is onmogelijk zonder nederigheid. Sint Thomas leert dat men geen enkele deugd volkomen kan beoefenen zonder ook de andere in volmaakte graad te bezitten. In het leven van de christen is alle eenzijdigheid uit den boze. Maar er zijn bepaalde deugden waarvan het onderling verband bijzonder duidelijk aan de dag treedt. Waarachtig godsvertrouwen gaat niet samen met zelfvertrouwen in het geestelijke (want in de natuurlijke sfeer kan zelfvertrouwen goed en noodzakelijk zijn), en geestelijke zelfvoldaanheid is juist een van de kenmerken van de hoogmoed. Alleen de nederige mens heeft zijn eigen onvermogen ten volle ervaren en erkend; en daarom is hij in staat zonder enige beperking op God te vertrouwen. Wie niets meer van zichzelf verwacht kan alles verwachten van God. En deze innerlijke houding van de ziel zal ook tot uiting komen in de gedragingen jegens de naaste. De nederige mens zal zich boven niemand verheffen.

In het evangelie van de Zondag lezen wij: „Jezus had ook een gelijkenis voor de gasten die (met Hem) aan tafel waren genodigd, daar Hij bemerkte dat zij de beste plaatsen voor zichzelf hadden uitgekozen: „Wanneer iemand u op een bruiloft inviteert, ga dan niet op de beste plaats zitten. Misschien heeft de gastheer iemand uitgenodigd die voornamer is dan gij en zal hij u zeggen: „Maak plaats voor deze man” ; en dan zult gij beschaamd de minste plaats moeten innemen. Ga liever, wanneer gij uitgenodigd zijt, aanstonds naar de geringste plaats en zet u daar neer, zodat de gastheer, als hij binnenkomt, u zal zeggen: „Vriend, ga hoger op” , en gij geëerd wordt voor heel het gezelschap. Want wie zich verheft zal vernederd en wie zich vernedert zal verheven worden” ( Lk.14, 7-11 .

Meen niet dat Jezus ons hier een methode aan de hand doet om in aardse verhoudingen een goed figuur te slaan. Hij heeft zijn leerlingen geen aardse eer beloofd. „Kunt gij de kelk drinken die Ik zal drinken?” Wat Hij hier zegt is een „parabel” . wie op de bruiloft van het Lam groot wil zijn, moet zich als de onwaardige beschouwen en de geringste plaats zoeken. „Gij weet dat onder de heidenen zij die als vorsten worden beschouwd over hen heersen en dat de voornamen hun macht uitbuiten. Onder u moet het anders zijn. Wie onder u de grootste wil worden moet uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet de slaaf van allen wezen. Zoals ook de Zoon des mensen niet is gekomen om zich te laten bedienen maar om zelf te dienen en zijn leven te geven tot losprijs voor velen” ( Mk.10, 42-45 ). Het kenmerk van de christelijke gemeenschap moet naastenliefde zijn ( „Hieraan zullen allen erkennen dat gij mijn leerlingen zijt” …) en nederigheid in dienst van die naastenliefde. Johannes , de beminde leerling, schreef dat niemand God waarlijk kan beminnen die niet de naaste liefheeft. Wij mogen daaraan toevoegen dat niemand die zich verheft boven zijn evenmens, nederig is voor God. Wij kunnen ons inbeelden dat wij God „die wij niet zien” liefhebben, maar allen de liefdedaad voor de mens bewijst, dat wij God beminnen zoals Hij bemind wil worden en zoals Hij zich in de mens Christus aan ons heeft geopenbaard. Zo zal ook de inwendige vernedering voor God zelfbedrog, althans niet geheel waarachtig blijken te zijn, indien een geringe vernedering, ons door onze evenmens toegevoegd, de hoogmoed van de oude Adam in ons doet opbruisen.

Laten wij het voorbeeld van Jezus’ nederigheid tot het uiterste navolgen in de realiteit van het leven, niet enkel in wens en gedachte.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)