O, onverstandigen en tragen van hart

154. Paasmaandag

De liturgie verblijdt heden ons hart met het schone evangelie der Emmausgangers , een meesterstukje van Sint Lukas ( 24, 13-35 ). Jezus openbaart zich hier op zo lieflijke en innige wijze, dat het voldoende is de tekst aandachtig te lezen en dat elke uitleg de indruk die het verhaal zelf op ons maakt, eerder verzwakt dan versterkt. Laten wij ons bepalen tot enkele punten.

1. „Terwijl zij met elkander spraken en van gedachten wisselden, voegde Jezus zich bij hen en ging met hen mee. Maar hun ogen waren gesloten, zodat zij Hem niet herkenden.” Hoe benijden wij de leerlingen van Emmaus om die heimelijke aanwezigheid! Het is waar, dat de Meester gezegd heeft: „Zalig zij die niet zien en toch geloven” . En wij willen aan dit woord niet twijfelen. Maar toch! Zullen Kleofas en zijn gezel later niet getuigen: „Ons hart brandde in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak en de Schriften verklaarde” ?

Dit is het wat wij wensen, Heer, en wat wij U in de glorie en de vreugde van de paastijd vragen willen, niet dat wij U zien mogen (want wij weten dat het hoogste geluk der aanschouwing niet voor deze tijd is weggelegd), maar dat ons hart moge branden door uw aanwezigheid, dat Gij met ons gaat op onze weg, dat Gij bij ons blijft, „want de avond valt” . En zo Gij ook toto ons zoudt zeggen: „O onverstandigen en tragen van hart! Ben Ik niet met U in mijn Kerk, ben Ik niet tegenwoordig in haar heilige geheimen? Kunt gij Mij niet vinden in elke mens, die met u gaat langs de weg? Want wat gij hem doet, hebt gij Mij gedaan” , — dan zullen wij antwoorden: „Het is waar, Heer, wat Gij zegt. Wij geloven uwe worden en danken voor uw gaven.” En toch, sta ons toe heden die bede te herhalen: „Ga met ons langs de weg die stoffig is en lang; blijf bij ons want de avond valt. Als Gij ons bezoekt met de sterkte en de troost van uw genade, verheugt zich ons hart en jubelt onze ziel.”

2. In het lange verhaal dat Kleofas en zijn vriend voor de Heer afsteken, proeven wij het type van de goedwillende, maar kleinmoedige mens.

Zij waren Jezus welgezind, maar misten het ware geloof dat niet meet met mensenmaat. „Hij was een profeet, machtig in werk en in woord, voor God en het hele volk” . — doch zijn dood had een eind gemaakt aan al hun schone verwachtingen en zijn verrijzenis was onmogelijk, een wild gerucht van opgewonden vrouwen. „O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet beter gelooft aan al wat de profeten hebben gezegd. Moest de Christus dit alles niet lijden en ingaan in zijn glorie?” Dan gaat een nieuwe wereld voor hen open, Gods bestel en Gods gedachte: hoe Christus’ lijden en dood waren geweten en vóórbestemd als de nauwe doorgangspoort tot zijn heerlijkheid en het eeuwig leven der zijnen, Gelukkigen, die zulk een Meester vonden!

Jezus’ dood is voor de christen niet langer de ergernis, het struikelblok van zijn geloof, want wij geloven in de verlossende kracht van zijn sterven en de glorievolle verrijzenis nam alle schande weg, de menselijke mislukking transformerend in een goddelijke zege. Toch zijn ook wij „traag en onverstandig van hart” . Zodra over ons het lijden komt, zodra in ons eigen leven de ergernis van het kruis haar intrede doet, begint ons geloof te wankelen. Het lijden wordt helaas maar al te dikwijls de fatale klip waarop het echte, levende vertrouwen strandt. God eist niet alleen de verstandelijke aanvaarding van de geloofswaarheden in het algemeen. Willen wij met recht spreken van godsvertrouwen, dan moeten wij geloven in de leiding van zijn voorzienigheid in ons eigen leven . En dit geloof moet sterk zijn om ook in de mislukkingen van dat leven Gods vaderhand te kunnen zien, om niet te twijfelen aan zijn tegenwoordigheid en zijn liefde, ook wanneer wij als mensen zouden vertwijfelen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *