Offer van lof

209. Drievuldigheidszondag Eerste Zondag na Pinksteren

„Gezegend zij de heilige Drieëenheid en ondeelbare Eenheid. Wij willen haar loven wijl zij ons barmhartigheid heeft bewezen” ( introitus ).

1. De Kerk wekt ons vandaag niet zozeer op tot diepzinnige bespiegelingen omtrent het ondoorgrondelijke geheim der Heilige Drieëenheid als wel tot een lofprijzing van de oneindige God, die „ons barmhartigheid heeft bewezen” . De Vader heeft ons geschapen en van eeuwigheid voorbestemd tot dit geluk waarin wij door zijn genade staan, — de Zoon is voor ons mens geworden, Hij heeft ons openbaring gebracht omtrent de Vader „Die niemand ooit gezien heeft” ( Joh. 1, 18 ) en Hij heeft ons verlost door zijn bloed, — de Geest is het die ons heiligt, die het werk van de Zoon in onze zielen tot voltooiing brengt en ons terugvoert tot de Vader in de hemelen. De zondige mens is het voorwerp van deze werkzame liefde Gods. Zijn enig antwoord is: het offer van lof. „Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U …” De heilige Paulus houdt niet op te verkondigen dat de christen moet zijn in laudem gloriae gratiae suae , dat heel zijn bestaan moet strekken „tot lof van de heerlijkheid van Gods genade” ( Eph. 1, 6 ). En zoals Gods liefde altijd en overal werkzaam is, zo moet ook onze lofprijzing werkzaam zijn. De hoogste vorm hiervan is een actieve en passieve deelname aan Jezus’ eeuwigdurend offer van lof in de mis. Niet enkel onze woorden, ook onze bedoelingen en daden, ons lijden en heel ons leven moeten zodanig zijn, dat zijn zonder meer kunnen samensmelten met het offer dat Jezus is, als een lofzang tot glorie der aanbiddelijke Drieëenheid.

2. Het mysterie der Drievuldigheid is voor de christen en in de christen een voortdurende werkelijkheid . God woont in de ziel van elke rechtvaardige. Dit is objektieve realiteit. En één akt van geloof sluit mij „subjektief” aan bij deze hoogste werkelijkheid, — één verzuchting van zuivere liefde brengt mij in levend en levenwekkend contact met de drieënige God.

Wat God is alomtegenwoordig. Hij is aanwezig in al wat bestaat. Maar door de genade is Hij in de ziel op bijzondere wijze. Dit betekent: Hij wil in mij zijn als gever en ontvanger van liefde, als minnaar en beminde. „Jezus antwoordde hem: „Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden. Dan zal ook mijn Vader hem beminnen en Wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem nemen” ( Joh. 14, 23 ).

3. En practisch gesproken: Hoe dikwijls maken wij allen het kruisteken en hoe zelden doen wij het langzaam, met eerbied, met geloof, ons bewust van dit prachtige gebaar dat het ereteken der katholieken is? Laten wij ten minste heden het kruisteken maken tot wat het moet zijn: een toewijding aan de goddelijke Drieëenheid van heel ons zelf door de kruisdood van Jezus, door Wie ons alle goeds van Godswege toestroomt, — een groot kruis geslagen over heel ons wezen, dat aan God schenkt ons hoofd en ons hart, het woord van onze mond en de kracht van onze daden.

En het „Ere aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest …” , waarbij wij vroom het hoofd buigen? Welk een schoon rustpunt kan dit zijn in het goddelijk officie, als we in de stroom der psalmverzen even de krachten van onze ziel verzamelen en de eeuwige God, die in ons woont, aanbidden! Wanneer wij Gods lof zingen, zijn wij dat „nu” , dat opgenomen wordt in de altijddurende hulde van het hemelse hof: zoals het was in den beginne en nu en altijd in de eeuwen der eeuwen …

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *