Oogsten van de geest

312. Vrijdag na de Vijftiende Zondag na Pinksteren

„Een mens oogst wat hij zaait. Wie zaait in het vlees zal vergankelijkheid oogsten van het vlees; wie zaait in het geestelijke zal van de geest oogsten eeuwig leven” ( Gal.6, 7. 8 ; epistel van de Zondag).

1. Indien, zoals wij gisteren overwogen, de ware christen toegankelijk is voor de noden van allen die hij ontmoet en indien hij in de wereld staat als mens onder de mensen om de lasten te helpen dragen die ons allen neerdrukken, – dan dienen wij daaraan onmiddellijk toe te voegen dat hij naar de geest geheel in God moet leven. Dit is het ideaal waarnaar de wereld uitziet zonder het te weten: de christen wiens goedheid beschikbaar is voor allen omdat hij vrij is van allen, met de vrijheid die komt van God, omdat hij door liefde gebonden is aan God alleen. Hij moet zodanig van God vervuld zijn dat hij in het geheel niet meer steunt op zichzelf of op anderen, op gewoonten en conventies en omgeving, zodat hij het wagen kan in waarheid tot de mensen te gaan. Want de wereld waarin wij leven, biedt ons niet meer de steun van een christelijke atmosfeer. Zij wil zonder Christus leven en komt daar openlijk voor uit. Zij wil een leven en een gemeenschap inrichten die door eigen kracht bestaan zonder God en zonder hoop op het hiernamaals, en, sluiten wij onze ogen niet voor deze werkelijkheid: zij is er grotendeels in geslaagd het leven op deze wijze te organiseren. Daarom worden van ons deze uitersten geëist: uiterste beschikbaarheid en uiterste innerlijkheid. Want de christen mag zich van de wereld niet terugtrekken. Al zal zij ondergaan, de zielen der mensen die leven in de wereld zijn onvergankelijk en even dierbaar aan Christus als de onze. Maar minder dan ooit zal onze broze goedheid standhouden, indien zij niet deelt in de goedheid van de Vader in de hemel. Zij moet in de godloze wereld een spiegel zijn der goddelijke goedheid, opdat de mensen weer geloven mogen aan een waarde die meer is dan de stof en alle beheersing der stof. Maar hoe zal het ons mogelijk zijn zulk een goedheid te bezitten en te behouden, zo wij niet leven in God!

2. Aan een moeder die bezorgd was over de zedelijke en geestelijke gevaren waaraan haar zoon op school blootstond, zeide Léon Bloy : „Je moet je jongen de gewoonte bijbrengen altijd te bidden” . Dat is het geheim. Ook voor ons geldt dit woord. De oasen van beschutting verdwijnen in de egale woestijn van onze technische beschaving. Niemand mag zich immuun achten voor de besmetting die er uitgaat van de wereld.

Jezus is wederom ons onovertroffen toonbeeld. Hij die ging tot allen, sprak tot allen van God omdat Hij geheel leefde in God. Wij kunnen niet tot allen zonder onderscheid spreken over God, maar wij moeten wel leven in God; dan zullen wij God uitstralen in de wereld ook zonder te spreken. wij moeten het gebod om altijd te bidden zo letterlijk mogelijk toepassen door onze innerlijke aandacht zoveel mogelijk gekeerd te houden naar de nooit aflatende tegenwoordigheid van God. De ware christen van heden moet een mens zijn van beschouwing en inwendig gebed juist omdat de wereld van heden godloos wil zijn.

3. Indien men wil tegenwerpen dat dit een onmogelijk ideaal is en dat het getuigt van gebrek aan werkelijkheidszin een dergelijke kloosterlijke mentaliteit aan te bevelen ook voor hen die in de wereld leven, dan antwoord ik: toen door renaissance en hervorming het proces van de profanatie van het leven een aanvang nam, hebben mannen als Franciscus van Sales het bewuste streven naar de volmaaktheid gepredikt ook voor hen die leefden in de wereld. DeInleiding tot het godvruchtige levenen zovele andere werken uit die tijden hadden de bedoeling het streven naar de christelijke volmaaktheid ook buiten de kloosters te bevorderen in een wereld die zich van het christendom begon vrij te maken. Wanneer dit proces van ontkerstening van het leven zijn hoogtepunt bereikt in onze dagen, zullen de christenen moeten grijpen naar de hoogste middelen en mag de praktijk der beschouwing niet langer een monopolie blijven van contemplatieve kloosterlingen. Zalig zij die door God zijn geroepen om zich in de eenzaamheid geheel aan de beschouwing te wijden. Maar ook zij die leven in de geestelijke eenzaamheid van een wereld zonder God, moeten trachten door voortdurend gebed en door beschouwing God met zich te dragen, willen zij ware christenen blijven en door hun leven God verkondigen aan de velen die Hem nooit hebben gekend.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)