Oordeel en zuivering

22. Vierde Zondag van de Advent

De laatste Zondag van de Advent grijpt terug naar de eerste. In het epistel ( 1 Kor. 4, 1-5 ) stelt de Kerk ons wederom Christus’ komst ten oordeel voor ogen als de goddelijke voltooiing van zijn komst in nederigheid die wij over enkele dagen vieren. „Wel ben ik mij niets bewust,” schrijft de Apostel, „maar daarmee ben ik nog niet gerechtvaardigd. Het is de Heer die mij werkelijk beoordeelt. Oordeelt derhalve niet vóór de tijd, vóórdat de Heer komt die de verborgenheden der duisternis aan het licht zal brengen en de bedoelingen der harten openbaren. En dan zal een ieder de hem toekomende lof van God ontvangen.”

1. Willen wij het kerstfeest waardig en vruchtbaar vieren, dan moeten wij onszelf in het licht Gods trachten te oordelen. „Indien wij onszelf naar waarheid beoordelen, zouden wij niet onder het oordeel (Gods) komen” ( 1 Kor. 11, 31 ).

Men hoort soms mensen verklaren dat zij zich geen of weinig zonden bewust zijn. Dat kan, wanneer het gaat over personen die in gunstige omstandigheden leven en door Gods voorzienigheid bijzonder worden beschermd, materieel gesproken waar zijn. Maar zij die zichzelf aldus „beoordelen” en het daarbij laten, zijn toch eigenlijk nog niet aan het de eerste beginselen der zelfkennis toe. Jezus’ oordeel luidt anders: „Gij die slecht zijt … God alleen is goed” . Wanneer wij bezwijken voor de neiging onszelf als „goed” te zien, begaan wij de fout dat wij een bepaalde toestand van onze ziel (door Gods genade te voorschijn geroepen) als statisch beschouwen en de afgrond daaronder vergeten: de eeuwige mogelijkheid van de afval van God. „Oordeelt niet vóór de tijd.” En wij vergeten dan ook onze oorsprong: de chaos van niets en zonde waaruit God die relatieve goedheid schiep. En wij vergeten dat alle goeds van Hem komt. „Wat bezit gij dat gij niet verkregen hebt? En zo gij het verkregen hebt, wat beroemt gij u dan als hadt gij het niet verkregen” ( 1 Kor. 4, 7 )? En wij vergeten (of hebben wij het wellicht nooit ontdekt?), dat het goede dat wij aldus bezitten, door duizend binnengedrongen kiemen van bederf wordt aangetast: zelfbehagen, baatzucht, onechtheid.

2. Zal zulk een onbarmhartige zelfkritiek ons niet de moed ontnemen? Ik geloof dat zij alleen ons op de lange termijn voor moedeloosheid kan bewaren. Want deze vorm van zelfverloochening is waarheid, zij vestigt ons in onze eigen werkelijkheid en zal ons eindelijk genezen van het uitzichtloze zien naar onszelf en de ogen van onze geest vertrouwvol wenden naar het Kind van wie ons heil komt, alleen en geheel.

Wanneer wij werkelijk weten en erkennen dat ons uit onszelf geen enkele, ook niet de minste positieve geschiktheid tot het eeuwige heil toekomt ( 2 Kor. 3, 5 ), zullen wij in deze leegheid de zuiverheid vinden die nodig is voor Gods komst. „Wek onze harten op, o God, om de wegen te bereiden voor uw Eéngeborene, opdat wij door zijn komst U met gezuiverd hart mogen dienen” ( oratie van de tweede Zondag van de Advent ). Zulk een nederigheid reinigt onze geest van eigenwaan, die de grote belemmering vormt voor de werking van de genade in onze ziel en zij bevrijdt ons, hoe paradoxaal dit moge klinken, van de angst voor onze zonden en de neurotische bezorgdheid voor onze „volmaaktheid” .

Laten wij trachten in de weinige dagen die ons resten, onze geest te vestigen in die zelfontlediging en zuiverheid. „De Heer is alleen die Hem roepen nabij, allen die Hem aanroepen in oprechtheid ( Ps. 144, 18 ; graduale ). De waarachtige aanroeping van God welt op uit ons hart dat de eigen onmacht tot de bodem toe gepeild heeft. Wie nog van zichzelf vervuld is, hem kan de Heiland zijn gaven slechts ten halve schenken.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *