Rennen zonder te struikelen

289. Woensdag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

„Almachtige, eeuwige God, van wiens gave het komt dat uw gelovigen U waardig en loffelijk dienen, schenk ons, bidden wij U, dat wij zonder te struikelen naar uw beloften mogen rennen” (oratie van de Zondag). — De taal van het missaal is vol fijne nuances en sterke gedachten. Bestudering hiervan loont overvloedig alle bestede moeite, zeker voor hen die zich op het innerlijk leven toeleggen, en eigenlijk voor allen. Ons geestelijk leven moet op alle mogelijke wijzen worden verdiept; en een van de beste, zo niet de beste, bestaat in het godvruchtiger opdragen en bijwonen van de mis.

1. Een voorbeeld van de met zorg gekozen bewoordingen van het missaal vinden wij in de boven aangehaalde oratie. Zij spreekt van een „rennen” naar Gods beloften. Want currere betekent niet gewoon gaan of lopen, maar rennen. De term roept ons aanstonds twee andere teksten van de Heilige Schrift voor de geest: „Ik ren de baan van uw geboden, want Gij verruimt mijn hart” ( Ps.118, 32 ), en nog meer de realistische vergelijking van de heilige Paulus : „Weet gij niet dat de wedlopers in de renbaan wel allen lopen, maar dat slechts één de prijs behaalt? Loopt dan zo dat gij hem wint” ( 1 Kor.9, 24 ). Het is zeker deze laatste tekst geweest die van invloed was op het veelvuldig voorkomend spraakgebruik der Kerk, als zij het christelijke leven vergelijkt met een wedstrijd, een vooruitstormen in de renbaan naar het heerlijke einde.

Welke lessen liggen in de éne woordje opgesloten! Stilstaan is fataal, betekent achteruitgang en moest in het christendom onbestaanbaar zijn. De „beloften Gods” lokken ons machtig aan, zodat wij „vergetend wat achter ons ligt ons voorwaarts uitrekken en het enige doel najagen, de kampprijs der hemelse roeping” ( Phil.3, 13. 14 ). Alleen verlangen, vurige hoop en edelmoedige bereidwilligheid doen ons rennen. Kort is dit leven dat snelt naar zijn einde. Geen lauwheid, geen lijntrekkerij! Het ogenblik dat voorbijvliegt! De moedige aanpak! De zaligheid zonder einde, zo spoedig gewonnen.

2. Ook in de oratie van de tiende Zondag na Pinksteren bidt de Kerk dat wij naar de beloften van God mogen rennen. Ditmaal voegt zij er de wens aan toe dat het geschieden moge „zonder dat wij struikelen” . Allen kennen wij dingen waaraan wij vastkleven, die een sta-in-de-weg en een hindernis vormen op de weg naar de hemel, zonden die niet geheel worden opgeruimd, een verkeerde gehechtheid die wij (nog) niet kunnen verbreken, oppervlakkige uitgestortheid die telkens opnieuw onze geest afleidt van het enig noodzakelijke. Toch is, geloof ik, voor werkelijk goedwillende christenen het ergste struikelblok moedeloosheid, kleingelovigheid, gebrek aan vertrouwen op Gods almachtige genade. Er mankeert niets aan onze hoop die, evenals de andere goddelijke deugden, krachtens haar wezen geen grens mag kennen. De maat van Gods mogelijkheden met ons menen wij te moeten afmeten naar de grenzen van onze eigen natuur en aanleg. (Natuurlijk, als wij er over nadenken, zullen wij dit in theorie ontkennen, maar in feite handelen en leven wij zo.) Nu zijn die grenzen, het niets en de zonde, inderdaad eng getrokken en nog veel nauwer dan wij denken kunnen. Maar God wil dat wij in een akt van vertrouwen die ten slotte niets minder dan heldhaftig is, de ogen sluiten voor onze eigen ellende en ze gevestigd houden op Hem alleen. Misschien kunnen wij het ook zo uitdrukken: God wil dat wij onze grondeloze ellende nooit vergeten, maar door die afgrond heen en in die bodemloze put zijn almacht vinden. Zij wij in nederigheid tot die bodem afgedaald, dan zullen wij in waarheid niet meer „struikelen” .

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee