Rouwmoedige liefde

143. Donderdag na Passiezondag

Gregorius de Grote begint heden zijn homilie over het evangelie ( Lk. 7, 36-50 ) met de woorden: „Wanneer ik nadenk over het berouw van Maria Magdalena , zou ik liever willen wenen dan iets zeggen” . Het verhaal van de zondares die het huis van de farizeeër binnendringt, zich nederwerpt en de voeten van de Heer met hartstochtelijke eerbied en liefde bejegent, is inderdaad van een zo aangrijpende werkelijkheid dat onze woorden daaraan toegevoegd eer schaden dan goed doen.

1. Deze vrouw die zich had prijsgegeven aan de zonde, die leefde in een staat van publieke eerloosheid en verlorenheid (want zij was „de zondares van de stad” ), zij gaat zich nu wederom wegwerpen, ten prooi aan de verachting der anderen, aan de voeten van de Meester. Zij was reeds lang ongevoelig voor burgerlijke en farizese conventies, maar nu wordt zij bovendien gedreven door een smart en een verlangen die haar alles doen vergeten. Zij weet nu dat al de zonden, „de vele” die zij bedreef, gericht waren tegen Hem, dat haar leven een vergrijp was aan de heiligheid van Hem die zwijgend toeziet, die zich niet terugtrekt, die niet siddert voor haar aanraking, die haar niet wegstoot met die voeten welke zij onder kussen en tranen bedekt en overstroomt met balsem uit de albasten vaas. Zij weet dat als Hij haar aanneemt zij zal heengaan als een nieuw schepsel. Zij weet dat Hij oneindig verder van haar staat dan die anderen, maar toch veel dichter bij. Want zij is door al de onechtheden van het leven heen doorgedrongen tot die grens, tot dat einde, tot die diepte der ziel waar het contact met Hem mogelijk wordt. Zij heeft al haar liefde, gezuiverd door berouw, op Hem samengetrokken en zij heeft daarvoor, spontaan, de uiting gevonden van grenzenloze deemoed en grenzenloze overgave, het koninklijke gebaar van een die alles wegschenkt, die zichzelf wegwerpt aan de voeten van God.

2. En de Heer neemt haar in genade aan, niet heimelijk en haastig vergoelijkend, maar openlijk en rustig. Hij eert haar. Hij rechtvaardigt haar en verheft deze vrouw boven allen die daar aanwezig zijn. „Daarom, zo zeg Ik u, zijn haar zonden, haar vele zonden, haar vergeven, omdat zij grote liefde heeft betoond. Maar wie weinig wordt vergeven, die betoont geringe liefde.” Jezus verkleint en verbloemt niets. Hij weet beter dan de anderen hoe erg haar zonden, „de vele” , waren. Hij ziet met goddelijke helderheid wat de anderen niet kunnen zien: de innerlijke ellende van een zondig leven. Maar hij kent ook haar berouw, haar liefde en haar geloof. „Uw geloof heeft u gered. Ga in vrede.” Hij zendt haar weg met zijn vrede, begenadigd, vernederd en verheven, als nieuw geschapen door de goddelijke liefde.

3. De bijbelverklaarders tobben zich af over Jezus’ woorden en kunnen ze niet passen in het raam van onze logica. Worden de zonden ons vergeven omdat wij God beminnen, of beminnen wij omat onze zonden zijn kwijtgescholden? Kan een heilige wie „weinig” werd vergeven niet vurig liefhebben? En hoe zijn die woorden te rijmen, met de gelijkenis die de Zaligmaker te voren uitsprak?

Door de liefde tot God (en de liefde van God) groeien de geestelijke afmetingen van onze ziel. Naarmate een mens God meer bemint beseft hij beter zijn eigen zondigheid. Door dit dieper besef vermeerdert zijn berouw en de rouwmoedige liefde delgt de schuld. Er bestaat een onpeilbare wisselwerking van goddelijke en menselijke liefde, van geloof en liefde, van berouw en vergiffenis. In dit domein heersen andere wetten dan die van de rede. (Onderzoek u zelf over de wijze waarop gij biecht. Is mijn biechten een deemoedig zich neerwerpen aan de voeten van Jezus? Is het vóór alles een uiting van oprechte liefde en zuiver geloof?)

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *