Sacrament van Geest en eenheid

215. Zaterdag onder het octaaf van Sacramentsdag

„Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem” ( Joh. 6, 56 ; evangelie van Sacramentsdag). Sint Augustinus spreekt in de homilie van heden: „Wij hebben u gezegd, broeders, hoe de Heer ons bij de nuttiging van zijn vlees en bloed op het hart drukt, dat wij in Hem moeten verblijven en Hij in ons. Wij blijven in de Heer als wij zijn ledematen zijn; Hij blijft in ons als wij zijn tempel zijn. De eenheid is het die ons samenvoegt tot zijn ledematen. Doch waaraan ontleent de eenheid de kracht ons samen te binden tenzij aan de liefde? En vanwaar komt de liefde Gods? Vraag het de apostel. De liefde Gods, zegt hij, ligt uitgestort in onze harten door de heilige Geest die ons geschonken is. De Geest is het derhalve die leven wekt. De Geest immers maakt de ledematen levend … Ik zeg dit alles opdat wij de eenheid zouden beminnen en de scheiding vrezen. Want een christenmens met niets zozeer duchten als gescheiden te worden van Christus’ Lichaam. Zo hij immers van Christus’ Lichaam gescheiden wordt, is hij niet langer zijn lidmaat en zo hij Christus’ lidmaat niet is, wordt hij niet meer gevoed door zijn Geest. Wie echter de Geest van Christus niet bezit, zegt de apostel, behoort Hem niet toe.”

2. In deze prachtige, van woord en geest vervulde uitleg op de tekst van het evangelie zijn het vooral twee dingen die Augustinus de katholiek van tegenwoordig te zeggen heeft. Op de eerste plaats dat de communie het sacrament der eenheid is, ook in deze zin dat zij ons inniger verenigt met de Kerk, met alle leden van Christus’ mystiek Lichaam. Ook Sint Paulus zegt dit uitdrukkelijk: „Is het Brood dat wij breken geen deelgenootschap aan het lichaam van Christus? Omdat het Brood één is, daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam; want allen hebben wij deel aan het éne Brood” ( 1 Kor. 10, 16. 17 ). Voor wie werkelijk in Jezus gelooft is deze gedachte vanzelfsprekend, want zo iemand beseft ten volle dat Jezus het hoofd is van zijn Lichaam, met zijn Kerk onafscheidelijk verbonden. Daarom treedt degene die door de eucharistie nauwer met Christus wordt verenigd, ipso facto in inniger gemeenschap met de broeders en zusters des Heren naar de Geest. Daaruit volgt dat wie terugkeert van de tafel des Heren, vervuld van Christus’ liefdevuur en getekend met het bloed van het Lam, delen moet in heel de onbaatzuchtige en zichzelf vergetende gezindheid van Jezus’ Hart. Zijn vroomheid mag hem niet hooghartig afzonderen van de anderen, maar de communie moet hem juist een groter naastenliefde schenken en een vuriger toewijding aan de Kerk.

3. Het andere wat de grote kerkvader ons leert, is de onontbeerlijke eenheid van sacrament en Geest. Jezus spreekt trouwens zelf daarover een weinig verder in zijn eucharistische rede: „Het is de geest die leven brengt, het vlees (op zich) brengt niets daartoe bij. De woorden die Ik tot u sprak zijn geest en leven. Maar daar zijn er sommigen onder u die niet geloven” ( Joh. 6, 63. 64 ). Jezus wil zeggen dat het zijn door de Geest Gods verheerlijkt lichaam zal zijn, dat in de eucharistie eeuwig leven zal schenken, maar bovendien dat ook hij die nuttigt geestelijk moet zijn door een waarachtig geloof. Dan pas kan het sacrament van zijn liefde dat wel uit eigen, door God meegedeelde kracht, maar niet mechanisch zijn werking in de zielen uitoefent, de door Jezus gewilde, heilzame effecten bereiken. Moge een geest van eerbied en diep geloof ons bewaren voor alle automatische sleur bij het ontvangen van het hoogwaardig sacrament. Wie met geloof nadert, aan hem zullen Jezus’ heerlijke belofte ten volle worden bewaarheid: „hij blijft in Mij en Ik in hem”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *