Smeekgebed

357. Maandag na de Twee en twintigste Zondag na Pinksteren

„En dit is mijn bede: dat uw liefde meer en meer moge toenemen…” ( Phil.1, 9 ; epistel van de Zondag).

1. De apostel bevindt zich te Rome in een gevangenschap die al jaren duurt en die best had kunnen eindigen met de doodstraf, welke hem enkele jaren later in dezelfde straf zal treffen. De brief aan de Philippenzen legt er prachtig getuigenis van af hoe onverschillig de apostel is voor zijn eigen lot, wanneer men dit verstaat in de zin van strikt persoonlijke belangen. Als hij even de zaak van het evangelie buiten beschouwing laat, zou hij wel het liefst willen sterven, want „met Christus te zijn is verreweg het beste” . Maar overigens, – de Heer zal zelf weten wat Hij doet en Paulus bidt in de teruggetrokkenheid van zijn gevangenschap, lang en vurig, „altijd zonder ophouden” , zegt hij zelf ( Kol.1, 3. 9 ; Eph.1, 15. 16 ). En hij bidt voor alles behalve voor datgene wat een mens in zijn omstandigheden rechtmatig God zou hebben gevraagd: de bevrijding. Hij smeekt vooral voor de anderen, zijn dierbare christenen. En wat hij voor hen vraagt? De hoogste en zuiver geestelijke waarden: dat „zij mogen toenemen in liefde” , dat „God hun de Geest van wijsheid en openbaring geve om Hem recht te kennen” ( Eph.1, 17 ) en dat „zij de Heer in alles mogen behagen” ( Kol.1, 10 ). Als hij aan zichzelf denkt, vraagt hij hun gebeden, dat „hem bij het openen van zijn mond het woord worde geschonken om vrijmoedig het geheim van het evangelie bekend te maken, waarvan hij gezant is in boeien” ( Eph.6, 19 ), – en anders niets. Hij ziet zichzelf slechts in functie van het evangelie, als exponent van Christus, zijn geliefde Heer. Voor het overige is het van geen betekenis of hij bedroefd is of verheugd, honger lijdt of overvloed geniet.

2. Zo is het ware gebed: functie van de liefde, ademhaling van de ziel die bemint. Wie liefheeft stelt zichzelf achter bij de geliefde. Hij doet dat bewust, maar ook, zo er van waarachtige liefde sprake is, van zelf en onbewust. Wie God bemint stelt Christus’ rijk voorop in alles. En daarom kent het ware smeekgebed eigenlijk maar één verlangen, dat wat in het epistel staat uitgedrukt: liefde, toename van liefde, vermeerdering der godsliefde, de enige wezenlijke vooruitgang der wereld. Waarmee zou Jezus beter gediend zijn? Al het andere is daarbij vergeleken van ondergeschikt belang, en dit enige en noodzakelijke is altijd bereikbaar. Rust en vrede van de Kerk, tijdelijke gunsten, het welslagen van onze ondernemingen, dit alles is slechts voorwaardelijk door God gewild. Toename in geestelijke wijsheid en zuivere liefde is het volstrekte goed, daarin bestaat Christus’ rijk.

En als wij bekennen moeten dat wij zulk een zelfvergetelheid en zulk een liefde die ons alleen om Jezus’ rijk doen bidden, nog niet bezitten, laat ons dan smeken om toename en zuivering der liefde voor onszelf. Als wij nog niet tot de volmaakte onthechting zijn geraakt, laten wij dan de góéde zelfzucht beoefenen en zonder ophouden bidden om de liefde. Kennen wij de schone gebeden tot deze intentie die het missaal bevat? „God, die alles ten beste schikt voor hen die U liefhebben, geef onze harten de onwrikbare vurigheid van uw liefde, opdat de door U ingegeven voornemens door geen enkele bekoring aan het wankelen worden gebracht.” „Wij smeken U, Heer, moge de genade van de heilige Geest onze harten verlichten en overdadig verkwikken met de zoetheid van de volmaakte liefde” ( Verschillende Gebeden , 29 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)