Standvastigheid onder het kruis

99. Dinsdag na Sexagesima

„Richt mijn voetstappen op uw wegen opdat mijn schreden niet wankelen” ( Ps. 16, 5 ; offertorium van de Zondag).

1. De wegen des Heren zijn niet onze wegen. „De Heer kent de gedachten der mensen: dat ze ijdelheid zijn” ( Ps. 93, 11 ). God schonk de mens het verstand, opdat hij met wijsheid en inzicht zijn wegen zou bepalen. Het is onze plicht de deugd van voorzichtigheid te beoefenen, ons te spiegelen aan het voorbeeld van anderen, door ervaring te leren, door schade en schande wijs te worden. In de openbaring en de leer van de Kerk gaf God ons de wetten van zijn liefde. In de wijsheid der eeuwen vinden wij een veilige gids. En toch, daarnaast en daarboven leidt de Heer elke mens langs zijn wegen, langs de wegen van zijn voorzienigheid, „die met macht reikt tot aan de uiteinden der wereld en alles beschikt met zachtheid” ( Wijsh. 8, 1 ). Gods weg in elk mensenleven… Hij benut onze fouten en de afval van onze zwakheden. Hij bouwt zijn huis met het puin van onze ellenden en mislukkingen, zo wij slechts in Hem geloven en op Hem vertrouwen willen, zo wij slechts met geduld en volharding ons vasthouden aan zijn vaderhand. Is niet het leven van elke ware christen een kruisweg? Leiden Gods wegen niet alle naar Calvarië, en langs Calvarië, — alléén langs het kruis naar de glorie? De wezenlijke momenten in het christenleven zijn die waarop ons alles dreigt te ontzinken, de ogenblikken dat de natuurlijke mens in ons wanhoopt. Als de Heer voor onze deur staat met het kruis en klopt en smeekt om binnengelaten te worden, — spoedig en van ganser harte. Geef ons, Heer, het geloof in de leiding van uw liefde. „Toon mij uw wegen en maak mij uw paden bekend” ( Ps. 24, 4 ).

2. Somtijds, Heer, zijn onze voeten onzegbaar moe van het gaan op uw wegen. Waarlijk, onze schreden beginnen te wankelen, het kruis drukt ons neder, onze ogen zijn blind en zien geen uitkomst meer. De natuur is aan het eind van haar krachten, de genade wordt niet gevoeld. Diep in ons hart leeft nog het verlangen naar U en de liefde voor uw wil, maar als een vonk onder as en als een druppel water in een woestijn van dorheid, moeheid en duisternis. In zulke ogenblikken zijn de woorden van de oude psalmdichter ons uit het hart gegrepen: „Richt mijn voetstappen op uw wegen, opdat mijn schreden niet wankelen. Neig uw oor en luister naar mijn woorden. Werk wonderen van erbarming, Heer, Gij, Redder van die op U hopen” ( Ps. 16, 5-7 ).

Laat mijn schreden niet wankelen en laat mij niet van U gescheiden worden. Gij kent de eeuwige zwakheid van het mensenhart, Gij die weet „van welk maaksel wij zijn” ( Ps. 102, 14 ). Maar Gij weet ook welke vlam er brandt in dit broze vat, welk vuur Gij er zelf hebt ontstoken en aangewakkerd, — het onblusbare verlangen naar uw liefde dat Gij immer heftiger doet gloeien juist door de dorheid waarin Gij me dompelt. Schenk ons uw wijsheid in te zien, dat door vertrouwen en overgave onze liefde groeit, zonder dat wij het weten en zonder dat wij iets doen. Geef ons de moed om zonder moeheid vol te houden, door geen sleur en door geen desillusie gebroken — ons vastklampend, en zij het dan in dorre duisternis, met geloof , immer met geloof, aan de Liefde die groter is dan ons hart.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *