Uit de brief van Sint Jakobus

313. Zaterdag na de Vijftiende Zondag na Pinksteren

„Overspelers (zo noemt de apostel naar oud-testamentisch spraakgebruik allen die van God afvallen en heulen met het kwaad), beseft ge niet dat vriendschap met de wereld vijandschap betekent met God? Wie met de wereld bevriend wil zijn maakt zich Gods vijand. Of denkt ge dat de Schrift zonder reden zegt: „De Geest die in u woont bemint u met jaloerse liefde” ? En nog grotere genade biedt Hij aan. Met het oog daarop staat er geschreven: „God weerstaat de hovaardigen maar aan de nederige mens geeft Hij zijn genade” . Onderwerp u dus aan God, weerstaat de duivel en hij zal van u wegvluchten. Treedt nader tot God en Hij zal u naderen” ( 4, 4-8 ).

2. „Broeders, gij gelooft in de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus; tracht dit geloof niet te combineren met vleierij van menselijke grootheid. Veronderstel dat iemand in uw vergadering komt met gouden ringen en fijn gekleed en dat tegelijkertijd een arme binnenkomt in haveloze kleding. Als gij aan de deftige alle aandacht besteedt en hem een ereplaats geeft, maar de arme zegt: „Blijf daar staan” , of: „Ga maar op de grond zitten bij mijn voetbank” , – hebt gij dan geen vals onderscheid gemaakt? Oordeelt ge dan niet partijdig? Luistert naar mij, dierbare broeders: heeft God niet de mensen die in het oog van de wereld arm zijn uitverkoren om rijk te worden in geloof en erfgenamen vna het koninkrijk dat Hij heeft beloofd aan wie Hem liefhebben? En gij zoudt de arme verachten?” ( 2, 1-6 ).

(Wij moeten door de eigenaardigheden van stijl en tijdsomstandigheden heen in deze woorden van Jakobus de eeuwige boodschap van Christus kunnen horen. Wee ons zo wij het zintuig daarvoor niet bezitten! De christen moet niet enkel de rijkdom niet verlangen, hij mag ook de rijken niet eren omdat zij rijk zijn. De armen moet hij eer bewijzen, want „Christus heeft hen uitverkoren” . De armen zijn Jezus’ bevoorrechten. Vervloekt is het geld, het bloed van de arme, dat zoveel christenen ontrouw maakt aan hun Heer, de Arme van Nazaret en Golgota, die voor dertig zilverlingen werd gekocht.)

„O gij rijken, weent over uzelf en jammert luid om de ellende die over u zal komen! Uw rijkdom is verrot, uw gewaden zijn verteerd door de mot, uw goud en zilver zijn verroest; hun roest zal tegen u getuigen en uw eigen lichaam aantasten als vuur. Gij hebt schatten (van toorn) verzameld tegen het einde der dagen. Gij hebt het loon achtergehouden van de arbeiders die uw akkers bewerkten, nu roept het luid tegen u en de kreten van uw maaiers zijn doorgedrongen tot de Heer der heirscharen. Gij hebt op aarde gefeest en in weelde geleefd; gij hebt uw harten gemest voor de dag der slachting. De onschuldige hebt gij veroordeeld en vermoord en hij biedt geen weerstand” ( 5, 1-6 ).

3. „Mijn broeders, acht het louter vreugde, wanneer allerhande kwellingen u treffen, – als mensen die weten dat zij alleen door de beproeving van hun geloof volharding verwerven. En de volharding moet haar werk grondig verrichten, wilt gij volmaakt zijn en ongerept, zonder in iets te kort te schieten” ( 1, 2-4 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee