Uit een preek van Newman

290. Donderdag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

Begrijpend dat wij een ziel bezitten betekent onze afzondering beseffen van de zichtbare dingen, onze onafhankelijkheid, ons afgescheiden bestaan op onszelf, onze individualiteit, ons vermogen om zelfstandig op deze of gene wijze te handelen, onze verantwoordelijkheid voor onze daden. Dit zijn de grote waarheden die in de geest van een kind zelfs liggen opgesloten en die Gods genade in ons kan ontvouwen, alle invloeden van buiten ten spijt. Maar aanvankelijk is het deze uitwendige wereld die overheerst; van onszelf weg richten wij de blik naar de dingen rondom en wij vergeten daarin onszelf. Zo is onze toestand — een steunen in afhankelijkheid op halmen die wankel zijn met voorbijzien van onze werkelijke sterkte — op het ogenblik dat God ons begint op te eisen en geleidelijk wil brengen tot een juister inzicht omtrent onze plaats in het heelal van zijn voorzienigheid. En als Hij ons aldus bezoekt, geraakt ons innerlijk weldra in beweging. Wij gaan de nutteloosheid en zwakheid van de dingen dezer wereld helder inzien; zij beloven maar kunnen niet vervullen en stellen ons teleur. Of indien zij volbrengen wat zij beloven, schenken zij ons toch geen waarachtige bevrediging. Wij begeren nog iets anders, wij weten niet precies wat, maar wij zijn er zeker van dat de wereld het ons niet heeft gegeven. En bovendien, haar veranderingen zijn zo menigvuldig, zo plotseling, zo vanzelfsprekend en voortdurend. Zou houdt nooit op te veranderen en gaat er mee door totdat wij er wee van worden; dan is het gedaan met ons vertrouwen in haar. Het wordt ons duidelijk, dat wij dit vertrouwen moeten opzeggen, indien wij niet met de wereld gelijke tred houden en ook zelf voortdurend veranderen; maar dit is onmogelijk. Wij beseffen dat terwijl zij verandert, wij een en dezelfde blijven. En aldus geraken wij onder Gods zegen tot enig inzicht in de betekenis van onze onafhankelijkheid van de tijdelijke dingen en van onze onsterfelijkheid. En overkomt ons (zoals dikwijls het geval is) ongeluk en lijden, dan verstaan wij de nietigheid van de wereld nog beter. Dan groeit ons wantrouwen en worden wij immer meer gespeend van de liefde voor deze wereld, totdat zij ten slotte voor onze ogen zweeft louter als een sluier die, ondanks haar bonte kleuren, niet langer het uitzicht kan verbergen op wat achter haar ligt. En wij beginnen geleidelijk in te zien dat er slechts twee wezens bestaan in het heelal, onze eigen ziel en de God die haar schiep.

Verheven en verrassende leer, maar vol diepe waarheid! Voor ieder van ons bestaan er in de hele wereld maar twee wezens, hijzelf en God. Want dit toneel buiten ons met zijn genoegens en bezigheden, zijn eerbewijzen en zorgen, zijn intrigues , zijn hoofdpersonen, zijn koninkrijken en de menigte rusteloze slaven: wat betekent het voor ons? Niets; het is slechts een schouwspel: „De wereld en haar begeerte gaat voorbij” ( 1 Joh.2, 17 ). En wat die anderen betreft, die ons naderbij staan, die wij niet mogen rekenen tot de ijdele wereld, onze vrienden en betrekkingen, die wij met recht liefhebben, ook zij betekenen ten slotte niets voor ons op deze aarde. Zij kunnen ons niet werkelijk helpen of van dienst zijn: wij zien hen en zij werken in op ons, alleen (als het ware) op afstand, door middel van de zintuigen; zij kunnen niet geraken tot onze ziel en niet binnendringen in onze gedachten, zij kunnen niet werkelijk onze gezellen zijn. In de toekomstige wereld zal het door Gods erbarming anders zijn; maar hier genieten wij niet hun tegenwoordigheid doch de voorsmaak van hetgeen eens werkelijkheid zal zijn; zodat ook zij ten slotte verdwijnen voor het klare zien dat wij bezitten, op de eerste plaats van ons eigen bestaan en vervolgens van de tegenwoordigheid van de grote God in ons en boven ons, als onze Heer en Rechter, die in ons woont door ons geweten dat Hem vertegenwoordigt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)