Uit God geboren I

67. Vrijdag na de Derde Zondag na Driekoningen

Wij lezen in het laatste evangelie der mis: „De zijnen ontvingen Hem niet. Maar aan allen die Hem ontvingen gaf Hij de macht kinderen Gods te worden, aan allen, die in zijn naam geloven, die niet uit bloed noch uit de wil van vlees of man, maar die uit God geboren zijn” ( Joh. 1, 11-13 ). Wellicht is iemand geneigd het jammer te vinden dat wij deze sublieme woorden bijna elke dag horen. Zo zou hun betekenis voor ons bewustzijn kunnen vervagen, hun werking en kracht verminderen. God verhoede dit. Mogen integendeel deze woorden die al de eenvoud, de kracht en de diepte van Johannes ‘ ziel uitdrukken, zich immer vaster prenten in onze geest.

1. „De zijnen ontvingen Hem niet.” Het uitverkoren volk had zijn messias, zijn heil, verworpen. Johannes was daarvan de eerste verbijsterde getuige geweest. „De wereld erkende hem niet” . Ook de grote heidenwereld van Johannes ‘ tijd sloot zich af voor haar heil. Zeker, velen aanvaardden dankbaar de openbaring Gods in Jezus, maar het bleven toch uitzonderingen. Deze tragische situatie, weergegeven met Johannes ‘ woorden: „Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam Het niet aan” ( Joh. 1, 5 ), is niet beperkt gebleven tot de tijd van het eerste christendom. Men zou geneigd zijn te zeggen dat deze woorden als in een eeuwig geldende formule de vaste verhouding uitdrukken die er bestaat tussen wereld en christendom. En mogen er gelukkiger tijden zijn geweest waarin het althans scheen of de meesten Christus aanvaardden, de gelovige ziet zich heden meer dan ooit voor het ontstellende en raadselachtige feit geplaatst dat de wereld als geheel Christus verwerpt, dat zij die niet minder dan vroeger „duisternis” moet heten, het Licht van zich afstoot dat zij behoeft. En thans verwerpt zij Christus nadat zij Hem gekend heeft. Het heidendom waarin deze wereld terugvalt, is daarom erger dan het eerste. Wij mogen onze ogen niet sluiten voor deze harde werkelijkheid. Velen van ons, geboren en getogen in een katholiek gezin en levend in een beschut katholiek milieu, realiseren zich te weinig, dat „de wereld Hem niet erkent” . En mag ons (ons vooral, priesters, en toekomstige priesters, kloosterlingen) deze werkelijkheid onverschillig laten? Mogen wij ons opsluiten in onze kleine kring en tevreden zijn met de redding van onze eigen ziel alleen? Gaat het hier niet over de grote belangen van Jezus’Hart en om het heil van de mensen? Wanneer wij onszelf niet zoeken, maar „de dingen van Jezus Christus” , dan zal de gedachte aan het kleine getal der werkelijk in Hem gelovenden ons geen rust laten. Sint Franciscus van Assisië kon reeds troosteloos klagen: Amor non amatur : de Liefde wordt niet bemind” . En lijkt ons zijn tijd niet heilig bij de onze?

2. „Maar aan allen die Hem ontvingen, aan die allen (al zijn het er betrekkelijk weinigen, — maar overal, onder alle volken en in alle tijden, vindt Hij — God zij geloofd! — zijn ware vrienden) gaf Hij de macht kinderen Gods te worden.” De wereld weet niet welk een heerlijkheid zij versmaadt en vele gelovigen beseffen niet wat zij bezitten en zijn daarom half verdorde takken aan de levende Wijnstok die Christus is. „De macht om kinderen Gods te worden” wordt als van ouds versmaad voor een bord linzensoep. Het goddelijk kindschap wordt weggeworpen voor de boze eigen wil die, in zichzelf opgesloten, het begin van de hel is. Wij behoeven er ons niet over te verwonderen dat de heiligen als zinneloos werden van smart over zulk een verblindheid, dat zij hun leven en alles konden offeren om één ziel te redden en tegelijkertijd met Jezus begaan waren om het lot van de velen.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *