Uit God geboren II

68. Zaterdag na de Derde Zondag na Driekoningen

Welk een geluk wordt ons in Christus geschonken! Niemand kan dat beschrijven als Sint Jan . Zoals gewoonlijk ziet hij het christelijk leven in zijn volheid, in zijn weelderige bloei, zoals het volgens Gods bedoeling normaal zou moeten zijn, maar wat in feite, helaas, veeleer een uitzondering is, ook onder hen die zich noemen naar zijn naam. Zo heeft de evangelist ook hier niet de naakte „staat van genade” op het oog, maar een vol, bewust en zich in geest en daden uitlevend kindschap Gods. Luister slechts naar de wonderlijke woorden in zijn eerste brief: „Wie uit God geboren is, bedrijft geen zonde, want zijn zaad is in hem; hij kán zelfs niet zondigen, omdat hij uit God is geboren” ( 1 Joh. 3, 9 ). Wij voelen aanstonds aan, dat deze woorden slechts van toepassing zijn op diegenen die volop kinderen Gods zijn geworden, op hen die wij volmaakten of heiligen moeten noemen. Dat zijn zij „die van genade vervuld, slechts leven in de Heilige Geest, zij die, levende dankzegging geworden, het goddelijke leven bezitten niet enkel als een min of meer latente toestand, maar als voortdurende daad en in voortdurende bewustheid, niet alleen meer in het diepst van hun wezen, maar in al hun vezels” ( Marie Antoinette de Geuser ). Deze zielen hebben door versterving en kruis hun vlees en zijn begeerlijkheden onderworpen; zij hebben het natuurlijke leven dat zij verwierven door de geboorte „uit bloed en uit de wil van vlees en man” ( Joh. 1, 13 ) besnoeid, zodat het de geschikte en gereinigde akker werd voor het „goddelijk zaad” . Door het zuivere gebed en de innerlijke overgave van hun wil aan God staan zij in een blijvend en voedzaam contact met de bron waaruit hun leven welt. Want anders dan bij het natuurlijke leven, dat door de geboorte van zijn oorsprong wordt los gemaakt en er naar streeft daarvan volkomen onafhankelijk te worden, zal het eeuwige leven in ons sterker worden, naarmate het inniger ingaat en teruggaat tot zijn goddelijke oorsprong, naarmate het onderdompelt in zijn eeuwige en enige bron en terugebt in de zee waaruit het vloeide. „God is een vloeiende en ebbende zee, die zonder ophouden vloeit in al zijne geliefden, naar ieders behoeven en waardigheid; en al degenen die aldus begiftigd zijn in hemel en op aarde, doet Hij wederom terugebben met al wat zij bezitten en vermogen” ( Ruusbroec ). De aldus in God gevestigde en uit God herboren ziel zal naar buiten werken door veel daden van een rijk en edelmoedig deugdenleven; zij zal, God verheerlijkend in haar binnenste, Hem verheerlijkt willen zien in en door de zielen en zich geheel wijden aan het apostolaat waartoe Hij haar roept naar haar krachten en omstandigheden.

Moeten wij dit ideaal ontmoedigd ter zijde schuiven als was het voor ons niet bestemd? Moeten wij zeggen dat het onwerkelijk en onbereikbaar is? Zal een valse nederigheid ons influisteren dat het hoogmoed is zulk een volmaaktheid na te streven? Voorzeker, deze heiligheid ligt ver boven onze natuurlijke krachten, maar God roept allen die door de genade herboren zijn met een „hemelse roeping” . Wij allen die gedoopt zijn en leven in staat van genade, bezitten de Heilige Geest en zijn onuitsprekelijke gaven. Het is „Gods wil dat gij heilig wordt” ( 1 Thess. 4, 3 ). Het is Gods wil dat zijn heerlijke gaven aan ons niet renteloos blijven, maar rijke vrucht dragen, de „vrucht des Geestes: liefde, blijdschap, vrede…” ( Gal. 5, 22 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *