Vergeef ons onze schulden

350. Maandag na de een en twintigste Zondag na Pinksteren

„Vergeef ons onze schuld zoals wij aan anderen hun schuld vergeven” ( Mt.6, 12 ). Hebben wij wel ooit goed nagedacht over de betekenis van deze bede die wij zo dikwijls op de lippen nemen? Talloze malen bidden wij het Onze Vader , plechtig met de priester in de mis en in het goddelijk officie, voor en na het eten, in morgen- en avondgebed, en wij doen goed, want Jezus zelf heeft ons geleerd: „Zo zult gij bidden…” Maar die herhaling mag ons de ernst van deze bede niet verbergen, want zij betekent dat wij telkens opnieuw als maat van Gods barmhartigheid voor ons, Hem onze eigen vergevensgezindheid jegens onze broeders en zusters in Christus voorhouden. De gelijkenis van het evangelie van de Zondag zegt niets anders, zij is een pakkende illustratie van de bede uit het Onze Vader . Nadat de koning zijn ontrouwe dienaar niet alleen diens verzoek om uitstel had toegestaan, maar hem ok geschonken had waarom hij niet vroeg, waaraan hij zelfs niet durfde te denken, de kwijtschelding van de hele, onmetelijke schuld, gaat deze man naar buiten en ontmoet een andere dienaar, een arme drommel, die hem een kleine som schuldig is. Een belachelijk kleine som, wanneer wij ze vergelijken met de millioenen-krach waaraan hij juist ontkwam. Maar deze man blijkt van een ongelooflijke inhaligheid en hardheid, die zelfs de vorstelijke mildheid niet kon verzachten. Hij grijpt zijn mededienaar bij de keel en eist onverbiddelijk zijn recht. En als de ongelukkige hem om erbarming smeekt in juist dezelfde bewoordingen waarmee hij zelf zijn koning om genade had gebeden, woorden die hem aan de barmhartigheid van de vorst moesten herinneren, blijft hij ongevoelig en laat de ander in de gevangenis werpen.

1. In dit hardvochtig en stuitend gedrag zouden wij niet gaarne onze eigen houding erkennen. Toch is het juist dit waar Jezus ons aan wil doen denken. Onze schuld jegens God is onmetelijk groot en God scheldt die kwijt, maar dit zal ons niet beletten het onrecht en de beledigingen ons aangedaan, die op een geheel ander plan liggen, als onvergeeflijk te beschouwen. Maar dan stellen wij ook een eind aan Gods mateloze goedheid. Toen de dienaar opnieuw voor de koning verscheen heerste daar slechts het strikte, koude recht. „En in zijn toorn leverde de heer hem aan de beulen over totdat hij de hele schuld zou hebben voldaan.” Gods goedheid jegens ons is geen zwakheid. Wanneer hij onze mateloze schuld vergeeft, eist Hij onverbiddelijk één ding: dat wij zelf onze broeders vergeven. Iets van zijn goddelijke edelmoedigheid, van die meer dan vorstelijke gezindheid waarmee Hij ons vergeeft, moet neerdalen in ons eigen hart. Zijn vergiffenis mag niet buiten ons blijven, als een kwijtschelding op papier. „Weest volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is.” En God eist dat wij „van harte” vergeven, niet uiterlijk alleen, met de mond en een valse glimlach; of maar half, terwijl er wrok achterblijft in ons hart. Anders bidden wij iedere dag, ieder uur onze eigen veroordeling af: „vergeef ons onze schuld, zoals wij aan anderen onze schuld vergeven”

2. Vergevingsgezindheid is een elementaire en onontkoombare eis van het christendom. Talloze gebeden gestort met een hart dat niet vergeven heeft kunnen dit niet goed maken. Zo wij menen dat wij geen verhoring vinden, laten wij ons dan op dit punt onderzoeken. „Als gij uw offergave brengt naar het altaar en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw offer voor het altaar en verzoen u eerst met uw broeder” ( Mt.5, 23. 24 ). Ons offer is Jezus Christus, zijn lijden en dood, toen Hij, die het grootste denkbare onrecht verdroeg, bad: „Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen.” Kunnen wij ons zonder te blozen volgelingen van de Heer noemen, indien wij wraakgierig gestemd blijven? Kunnen wij aanstonds het offer der mis, zijn kruisoffer voor ons, zondaars, mede opdragen, kunnen wij met Hem onszelf offeren aan God als een aangename en geestelijke offerande, indien ons hart liefdeloos en ongevoelig blijft, al is het maar tegenover één van onze medechristenen? God ziet het hart, onder het uiterlijk van vrome gebaren en woorden. Verenigen wij ons met het offer van het goddelijke Lam in oprechte gezindheid des harten.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee