Verlichting

106. Dinsdag na Quinquagesima

Het evangelie van de Zondag ( Lk. 18, 31-43 ), dat begint met de grote voorspelling des Heren over zijn lijden, dood en opstanding, verwijst ons reeds naar het paasfeest: „Zie, wij gaan op naar Jerusalem en alles wat door de profeten over de Mensenzoon is geschreven, zal in vervulling gaan. Want Hij zal aan de heidenen worden overgeleverd en Hij zal worden bespot, mishandeld en bespuwd, en zij zullen Hem geselen en doden. En op de derde dag zal Hij verrijzen …”

Jezus weet wat Hem te wachten staat en Hij doorschouwt de toekomst als door God gewild, want wat de profeten hebben opgetekend is het patroon der eeuwige raadsbesluiten. Hier lezen wij van de hemelse luciditeit van onze Heer. Zij bestaat niet enkel daarin, dat Hij te voren weet wat er gaat gebeuren. Zij is veeleer gelegen in een hemels inzicht, dat Hem die feiten doet zien in het licht van God en waardoor Hij zijn lijden reeds bij voorbaat overwint. Jezus staat aldus boven de gebeurtenissen van de aarde, al staat Hij er anderzijds als de lijdende, zwakke mens, die Hij om onzentwille geworden is, midden in en ondergaat Hij ze. Hij is ook hierin het volmaakte beeld van de christen. Al lijdt de christen niet minder dan een ander en al bezwijkt zijn zwakheid onder het lijden, hij doorziet het als een openbaring van Gods wil, als de aardse keerzijde van een onbegrijpelijke liefde.

2. Maar de apostelen waren nog niet zover. „Zij begrepen er niets van, het was voor hen een raadsel.” Zij wisten natuurlijk heel goed wat Jezus zei. Het was trouwens niet de eerste keer, dat Hij over zijn aanstaande lijden had gesproken. Maar zij begrepen het niet. Zij konden het onmogelijk rijmen met hun ideeën. Zij konden het niet passen in hun denken. Pas later, als deze feiten zich hebben afgespeeld en de Heilige Geest hun is geschonken, zullen zij begrijpen, zullen zij delen in het licht, waarin Jezus nu reeds alles aanschouwde. Nu was hun geloof in de Heer nog erg onvolmaakt.

Wij denken bij termen als versterving en zelfverloochening te veel aan onbeduidende kleinigheden als roken en snoepen en te weinig aan dingen, waar het eigenlijk om gaat. De zelfverloochening, die de Heer van ons vraagt, bestaat allereerst in een opgeven van de menselijke manier van denken, in een deemoedig buigen voor de openbaring, in een kruisiging van de geest. Het geloof is dat kruis, dat ons niet breekt maar opricht. Het geloof laat ons de gebeurtenissen van ons eigen leven zien zoals God ze ziet, zoals zij in werkelijkheid zijn. Als openbaring en verwerkelijking van het goddelijk welbehagen, als datgene wat ons doet delen in het bestaan van de gekruisigde en verheerlijkte Christus.

3. Het is daarom uiterst zinvol, dat het laatste gedeelte van het evangelie ons verhaalt van de genezing van de blinde van Jericho. „Heer, dat ik zien moge” , roepen wij met hem en met de Kerk. Wij bidden, dat wij door het geloof mogen delen in de goddelijke luciditeit van onze Heer. Dat wij geloven mogen in de harmonie en de schoonheid van het goddelijk patroon, waarvan wij in dit leven alleen nog de aardse keerzijde zien en ondergaan. Het geloof transformeert de aardse dingen niet; het lijden blijft smartelijk. Maar het geeft hun een goddelijke zin en het transformeert ons tot de gelijkvormigheid met onze Heer.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *