Vernieuwing

337. Dinsdag na de Negentiende Zondag na Pinksteren

„Vernieuwt u naar de inwendige geest en doet de nieuwe mens aan, die volgens God is geschapen in waarachtige gerechtigheid en heiligheid” ( Eph.4, 23. 24 ; epistel van de Zondag).

„Schep in mij een zuiver hart, o God,
schenk mij een nieuwe en bestendige geest”

( Ps.50, 12 ).

1. Indien de menselijke geest een zuivere geest was, niet gebonden aan de stof, zou hij vernieuwing noch verjonging behoeven. Alleen het stoffelijke leven kent het proces van veroudering, afbraak en ondergang. De geest is onsterfelijk, eeuwig jong en onvermoeibaar. Maar wij ervaren allen de waarheid van Paulus ‘ woord: „onze uitwendige mens gaat geleidelijk te gronde” ( 2 Kor.4, 16 ). Zolang wij in dit vergankelijke lichaam leven, wordt onze geest belemmerd en meegetrokken door de lotgevallen van dit lichaam des doods op zijn weg naar ontbinding: vermoeienis en overspanning, onmacht, pijn en ziekte.

En de natuur (zoals wij het biologische beginsel en zijn werkingen in ons plegen te noemen) verzet zich heel bijzonder tegen een leven van gebed en christelijke liefde. Geestesinspanning en volgehouden, ernstige arbeid kosten altijd moeite, maar zolang deze liggen in de natuurlijke sfeer (werk voor gezin, wetenschap, kunst, vooruitkomen in de wereld), ontvangen zij van de geestelijk-zinnelijke natuur des mensen vele prikkels en een sterke steun. Zijn zij echter op het bovennatuurlijke gericht, dan voegt zich bij het gewone proces van afmatting de weerzin der natuur tegen datgene wat zij terecht als een bedreiging van zichzelf beschouwt. Dan weet zij een verwonderlijke vindingrijkheid te ontplooien om onze aandacht en ons streven van het éne noodzakelijke af te wenden. Voeg hierbij de tredmolen van het dagelijkse leven, de sleur der gewoonten, de in geestelijk opzicht dikwijls neerdrukkende sfeer van onze omgeving die onze idealen niet deelt en zelfs niet verstaat. Tegelijkertijd verbergt God zelf zich wellicht. Alle troost bij het gebed blijft uit. Dit leven van geloof in het onzichtbare dat zich nooit aan ons vertoont, mat ons af. Van binnen en van buiten schijnt alle steun weg te vallen. Wij worden dit eeuwig gevecht om het bovennatuurlijke dat zich niet grijpen laat, ontzettend moe. Loomheid, egale grijsheid, dorre duisternis, onwerkelijkheid, — en het leven van de natuur is zo eenvoudig, zo reëel; zo onmiddellijk schoon lijkt het en nuttig en gemakkelijk en in één woord natuurlijk, de mens passend en voor hem gemaakt.

2. Is het verwonderlijk dat wij bidden: „Kom, scheppende Geest” , en dat dit gebed soms een kreet wordt als de laatste roep van een drenkeling vóór hij wegzinkt? De Geest is het die schept en vernieuwt. Vernieuwing van het bovennatuurlijke leven is als een schepping uit het niet. Doch de Geest is machtig elke dag opnieuw op de puinhopen van ons leven het gebouw zijner heerlijkheid op te richten. „Onze inwendige mens wordt vernieuwd van dag tot dag.”

De herscheppende vernieuwing van Jezus’ Geest werkt bij voorkeur door de eucharistie. Daarvoor is zij dagelijks voedsel, gelijk brood de dagelijkse afbraak der stof herstelt. „Mijn vlees is waarlijk spijs.” Daarom werd deze gave ons geschonken door de liefde die nooit aflaat. En zo wij geloven , is zij machtiger dan alle moeheid en verval der natuur, sterker dan alle passieve tegenstand van onze willoze traagheid, zoals een levende vlam zich een weg boort door dode stof. „Ik wil opgaan tot het altaar Gods, tot God die mijn jeugd verblijdt.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)