Verspilde kansen

115. Donderdag na de Eerste Zondag van de vasten

„Broeders, wij sporen u aan dat gij de genade Gods niet vergeefs ontvangt: ‘ „Op de gunstige tijd heb Ik u verhoord en op de dag des heils u hulp geschonken” ’. Zie, nú is het de gunstige tijd, nú is het de dag des heils” ( 2 Kor.6, 1.2 ).

Deze woorden zijn een leidende gedachte van de Zondag: zij vormen het kapittel. Tevens geven ze stemming en gesteltenis aan voor heel de vasten. Mogen wij de dringende oproep van de apostel, door de Kerk tot de hare gemaakt, verstaan!

1. „Nu is het de gunstige tijd, nu is het de dag des heils.” Dit „nu” is deze vastentijd die God ons in zijn goedheid wederom laat beleven en waarin Hij ons bijzondere genaden aanbiedt, nu wij ons door boete en gebed voorbereiden op de hoogfeesten van onze verlossing, van ’s Heren lijden en verheerlijking. „Want ofschoon er geen tijd is die niet is vervuld van Gods gaven en wij dank zijn genade altijd toegang hebben tot zijn barmhartigheid, zo moet toch thans aller geest zich met grote ijver op geestelijke vooruitgang toeleggen, nu de dag waarop wij verlost zijn, het alles overtreffend geheim van ’s Heren Lijden, terugkeert” ( H.Leo in de vierde les van de Zondag).

2. Dit „nu” der genade is tevens de hele tijd van ons aardse leven. Hoe spoedig „komt de nacht waarin niemand werken kan” ( Joh.9, 4 ). Gods genade is oneindig mild, maar de „dag des heils” is noodzakelijk gebonden aan het wankele bestaan en het zwakke lichaam van de mens. Het christelijke begrip van de tijd! Ons christelijke leven, ingebed in de stroom van de aardse tijd, duurt kort, het gaat snel en onherroepelijk voorbij, het bestaat slechts uit een serie vluchtige, nauwelijks bewuste ogenblikken, die voorbijvliegen en eenmaal verleden geworden geheel aan onze greep zijn ontsnapt, — maar tegelijkertijd is dit broos bestaat zwaar van eeuwigheidswaarde, komt in die ondeelbare punten van het immer vlietende heden tot ons de goddelijke kans der genade. Hier liggen de wortels van een eeuwig lot.

3. „Wij sporen u aan dat gij de genade Gods niet vergeefs ontvangt.” Met grote zorg en toewijding willen wij de tijd ons gegund, dat „nu” , dat vluchtige ogenblik, dat aan ons onachtzame handen ontglipt, „uitbuiten” (ook dit woord is van de apostel, Eph.5, 16 ). De gedachte aan het onherroepelijk voorbijgaan van de tijd, aan het voor immer verloren zijn van zoveel kansen en gelegenheden tot deugd en liefde moest ons met ontzetting slaan. Geef ons, Heer, de tijd die uw goedheid ons gunt, te leven „in ongeveinsde liefde” . Geef ons, Heer deze tijd van de lijdende liefde (die de eeuwigheid niet kent), van de voor U zwoegende en lijdende liefde uit te buiten. Dat wij uw stem mogen verstaan, als uw genade klopt aan onze deur. Laat onze liefde waakzaam zijn en U herkennen in iedere mens, die wij op onze weg ontmoeten. „Weest op uw hoede en waakt, want gij weet niet wanneer de tijd daar is” ( Mk.13, 33 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *