Vertrouwen dat nooit moe wordt

6. Vrijdag na de Eerste Zondag van de Advent

„Zij die U verwachten, zullen niet beschaamd worden” ( Ps. 24, 23 ; introitus en graduale van de zondagsmis).

1. Heer, wat is het toch dat ons belet zulk een woord werkelijk te geloven? Konden wij het van ganser harte aanvaarden of liever nog, konden wij het simpel omhelzen als de vanzelfsprekende werkelijkheid die het is, en daarnaar leven in kinderlijk en blind vertrouwen! Waarlijk, aan kinderen behoort het Rijk der hemelen en Gij hebt deze dingen geopenbaard aan de kleinen en eenvoudigen. Hoe gelukkig zijn zij die bij alles wat hun overkomt denken aan uw wil, en deze beschikkingen, hoe hard zij ook treffen, weten te zien als een liefdevolle, vaderlijke voorzienigheid die al wat zij doet ten beste richt. Het gelukkig zijn zij, hoe wijs en hoe groot, deze kleinen! Zij hebben zichzelf vergeten en menselijke berekening voorgoed opzij geschoven. Van hen geldt in hogere zin dat geen haar op hun hoofd wordt gekrenkt, dat engelen hen op handen dragen opdat zij hun voeten niet stoten aan een steen. Hoeveel wonderen hebt Gij verricht om hen te beschermen! En als Gij hen gelijk gewone mensen overleverde aan lijden en nood, hebt Gij hun in zielen het oneindig groter wonder gewrocht van de volkomen overgave aan uw aanbiddelijke wil. Gebroken naar het lichaam, gewond in hun hart, waren zijn onkwetsbaar in de ziel, door liefde met God verbonden. Heer, leer ons vertrouwen en vermeerder ons geloof. Soms laat Gij mij zien dat dit begin en einde is der heiligheid. Het is waarlijk eenvoudig, het is bijna gemakkelijk. Het is een opgeven, een laten varen meer dan een doen of presteren. Wij willen te veel zelf doen, wij willen vooral alles regelen. Wij denken en tobben altijd. Allerlei zorgen verteren ons. „Werp uw bekommernis op de Heer en Hij zal voor u zorgen” ( Ps. 54, 23 ). Wij vergeten die eenvoudige, maar diepe volkswijsheid: De mens wikt, doch God beschikt. En de God die beschikt is een liefderijke Vader die voor zijn kinderen, „voor die Hem liefhebben” alles ten beste regelt (dat is: tot het werkelijk beste, dat wij, mensen, niet weten kunnen).

2. „Zij worden niet beschaamd.” Zij worden niet bedrogen in hun verwachtingen, zij verliezen hun idealen niet. Het leven ontneemt hun die niet, doch maakt ze alleen maar dieper en rijper. Deze mensen worden niet ontmoedigd noch verbitterd. Lijden zij niet? Zijn zij niet bedroefd? Wellicht meer dan anderen. Zien zij altijd helder licht op hun weg? Zij wandelen meestal in duisternis, als door een donkere tunnel. Maar zij raken het spoor niet bijster. Zij twijfelen nooit aan Gods macht en liefde. Zij „geloven in de Liefde” .

Mogen wij, o Jezus, zonder te aarzelen en zonder af te wijken, met dit geloof en dit vertrouwen gewapend, de weg opgaan die tegelijk hard en smal is. De weg van zelfverloochening uit liefde en de weg van het voortdurend gebed. „Tot U, Heer, heb ik mijn ziel verheven” ( Ps. 24, 1 ; introitus ). Gij kent ijn verlangen, mijn enig verlangen ondanks alles: tot U te komen. U aan te hangen, U eindelijk trouw te wezen. Ik wil U geen troost vragen. Dat laat ik over aan uw goedheid en uw zorg voor mijn zwakheid. Maar ik vraag U: „Laat mij nimmer van U gescheiden worden. Laat mijn geest immer bij U verwijlen, zij het in duisternis en dorheid, maar trouw en door uw genade sterk. Wees mij nabij en moge ik U nabij blijven, in de korte tijd van deze aardse ballingschap.”

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *