Vooruitgang

346. Donderdag na de Twintigste Zondag na Pinksteren

De verschrikkingen en de verwarrende onzekerheden van de tijd die wij beleven, maken het noodzakelijker dan ooit dat de christenen welke die naam waardig zijn, zich het lot van de wereld aantrekken en zich niet opsluiten in de ivoren toren van hun vroomheid. Hoe hopeloos de vooruitzichten van beschaving en menselijkheid ook mogen lijken. Er is een tijd geweest, de periode van vóór de wereldoorlogen, dat men vrij algemeen geloofde in de geleidelijke verbetering van ’s mensen lot, en dat het woord vooruitgang een magische klank bezat. De verrassend snel voortschrijdende beheersing van de krachten der natuur door techniek en industrie en de onbeperkte vooruitzichten der wetenschap schenen welvaart en geluk voor allen te kunnen verzekeren. Welk een desillusie heeft de jongste geschiedenis ons gebracht! Wil een groter meesterschap over de stoffelijke krachten de mens werkelijk gelukkig maken, dan is een des te strakker zedelijke zelfbeheersing vereist. En wordt er te somber geoordeeld, wanneer men meent dat deze zelftucht — steeds schaarser uitzonderingen daargelaten — ontbreekt? „De moderne mensheid in Europa en Amerika is als geheel op verwerven en genieten gericht” . Niemand gelooft meer, dat vooruitgang in techniek (tot en met atoombommen toe) automatisch vermeerdering van menselijke waardigheid en van waarachtig geluk brengt. Groter rijkdom en grotere macht, toename van genot en gemak maken een mens niet beter. Wetenschap maakt hem niet wijs en wereldbeheersing schenkt geen mildheid. „De enige vooruitgang is vooruitgang in liefde,” oordeelt de niet-christelijke denker Huxley terecht. Toename in wezenlijke goedheid. Het is de oude regel, door de Heer gesteld: „Alles wat gij wilt dat de mensen u doen, doet ook gij hun evenzo” ( Mt.7, 12 ).

2. Maar is deze universele menselijke goedheid mogelijk zonder godsdienst, is deze vooruitgang in liefde bestaanbaar zonder het bezit der goddelijke deugden, buiten een gelovig en levend christendom? Indien het geloofspunt der erfzonde, van de gewonde en geschonden natuur der mensen, ons niets zeide, dan zou toch bij enig nadenken de ervaring ons moeten leren dat dit als regel het geval niet is. Er zijn mensen die buiten alle geopenbaarde godsdienst om, ten gevolge van een gelukkige aanleg of een hoge beschaving, deze goedheid schijnen te verwezenlijken. Maar van de overgrote meerderheid kan dit niet worden gezegd. Het geldt zelfs niet van velen die zich christen noemen. Vooruitgang in de liefde als heul der dodelijk zieke mensheid is niet los te denken van vooruitgang in de liefde tot God. Het grote beletsel in allen is de zelfzucht. En dit beest van het egoïsme (wie die de oorlog meemaakte, zal beweren dat deze term te sterk is?) kan slechts worden getemd door bovennatuurlijke krachten.

Laten wij, die door God bevoorrecht werden boven de meesten, ons bewust zijn van onze taak en verantwoordelijkheid in een wereld die hopeloos ontredderd lijkt en maken wij ons de woorden van Huizinga ten nutte in een diepere zin nog dan hun auteur wellicht bedoelde: „De slotsom moet altijd blijven, dat, ook indien de gemeenschap niet rijp is en wellicht nooit rijp zal zijn voor die essentiële verbetering van zichzelve, niettemin de mensen ieder voor zich, elk voor zijn eigen nietige persoonlijkheid, moeten blijven streven naar de verwezenlijking van al is het maar het geringste deeltje van die onmisbare vooruitgang in Liefde” . Of hetzelfde eenvoudiger gezegd en met oneindig groter gezag: „Laat uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader die in de hemelen is verheerlijken” ( Mt.5, 16 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee