Vrede

161. Maandag na Beloken Pasen

„In de avond van diezelfde dag, de eerste dag der week, toen de deuren van het huis, waar de leerlingen zich bevonden, uit vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus binnen, plaatste zich in hun midden en sprak tot hen: „Vrede zij u!” ( Joh. 20, 19 ; evangelie van de Zondag).

Wij weten dat de vredewens de gewone Joodse groet was en met deze kennis toegerust lezen we snel en met een lichte minachting voor „verouderde mystieke” verklaringen over deze woorden heen, daar ze immers niets bijzonders betekenen. Maar is ook een gewoon woord in zijn mond niet waard overdacht te worden? En Jezus wil hier ongetwijfeld nadruk leggen, want kort daarna herhaalt Hij zijn begroeting en reeds vroeger had Hij de apostelen zijn vrede beloofd ( Joh. 14, 27 ).

1. Laten wij beginnen met toe te geven dat de allergewoonste aardse vrede reeds een ontzaglijk goed is. Dat hebben wij toch wel geleerd, de laatste jaren, — en tevens, dat de individuele mensen het heel weinig in hun macht hebben dit soort vrede te bewaren of te herstellen. Het is ons wellicht gedurende de oorlogsjaren, als wij de voorgeschreven gebeden uit de votiefmissen „ten tijde van oorlog” en „voor de vrede” met de priester meebaden, opgevallen, dat de Kerk te midden van de verschrikkelijkste gevaren en de ergste nood een onaardse rust behoudt. Terwijl wij in ondraaglijke spanning leefden en stoffelijke noden ons, naar we meenden, nauwelijks tijd en gelegenheid lieten om aan het geestelijke te denken, hield zij de hiërarchie der waarden hoog en vloeiden de klassieke zinsneden van haar oraties onverstoorbaar voort. Als wij die gebeden nader bezien, constateren wij twee dingen: de Kerk vraagt allereerst om de innerlijke vrede, de vrede van Christus, wetend dat deze het onvergelijkelijk hoogste goed is en óók dat Gods voorzienigheid voor die Hem liefhebben alles ten beste leidt, zelfs de rampen van een moderne wereldoorlog. En vervolgens, als zij om de aardse vrede vraagt, ziet zij die toch weer als ondergeschikt aan de vrede van Christus. Zij wenst de vrede vooral als het normale midden waarin de godsdienst bloeien kan. „God, van wie de heilige verlangens, de rechte besluiten en de goede werken voortkomen, schenk uw dienaren die vrede welke de wereld niet geven kan …”

„Mogen wij de rust des vredes, door uw macht bewaard, benutten om onszelf te beteren.” „God, Schepper en Minnaar des vredes, U kennen is leven, U dienen heersen (als wil zij te verstaan geven: dit koninklijke leven wordt door geen oorlog verwoest) …”

2. „Vrede laat ik u nu, mijn vrede geef Ik u; niet een vrede, zoals de wereld hem geeft. Uw hart zij ontsteld noch bevreesd” ( Joh. 14, 27 ). „Gerechtvaardigd door het geloof, hebben wij vrede met God door Jezus Christus, onze Heer” ( Rom. 5, 1 ). Het is de vrede van een goed geweten, maar dan van een volop christelijk geweten. Ik bedoel: de rust en de innerlijke zekerheid van een ziel, die in God gelooft en op Christus vertrouwt, ondanks haar eigen zwakheid en zondigheid. In zijn volheid is deze vrede een vrucht des Geestes ( Gal. 5, 27 ) en der volmaakte liefde, die immers de vrees uitbant ( 1 Joh. 4, 18 ). Wie hem heeft verworven, heeft geleerd zijn gemoedsrust onafhankelijk te maken van de dingen buiten hem, — maar niet door stoïcijnse zelfbeheersing of flegmatieke ongevoeligheid. Want hij heeft bovenal geleerd die vrede niet te grondvesten op zichzelf, maar hem te funderen in God.

Hij erkent met christelijke nederigheid dat hij zwak is en altijd wankel blijft, uit zichzelf. Doch hij heeft God gevonden en begrepen, dat het enig nodige is Hem aan te zien en Hem vast te houden, altijd opnieuw tot Hem te vluchten, al wordt ook het eigen hart onstuimig bewogen door onrust en smart of gekweld door dorheid en duisternis.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *