Waarschuwing voor de christenen

93. Woensdag na Septuagesima

In overeenstemming met het ernstig karakter van de voorvasten bevat het epistel van de Zondag een dringende waarschuwing van Sint Paulus aan het adres van alle christenen, dat zij niet in vals vertrouwen op hun hoge geestelijke voorrechten zich verzekerd wanen van het eeuwige heil ( 1 Kor. 10, 1-5 ).

1. De Apostel verwijst ons naar de geschiedenis der Israëlieten in de woestijn die, ondanks de wonderbare bevrijding uit Egypte en de spijziging met manna en water, om hun boze wil door God werden verworpen en omkwamen in de wildernis: „In de meeste van hen vond Hij geen behagen” . Niemand heeft het Beloofde Land betreden dan de enkelen die het woord des Heren hadden geloofd en daarnaar hadden geleefd. Zo zijn ook de grootste voorrechten van de katholiek als de sacramenten van doopsel en eucharistie (waarvan die wonderen eertijds een voorafbeelding waren) geen waarborg van het heil, als hij zich niet tevens inspant om volgens Gods wil te leven en de „onvergankelijke kroon te verwerven” . Onwillekeurig denken wij ook aan de geduchte woorden van de Heer zelf in de Bergrede : „Velen zullen Mij zeggen op die dag (van het oordeel): „Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam demonen uitgedreven en in uw naam wonderen verricht?” Dan zal Ik hun belijden: „Nooit heb Ik u gekend. Gaat weg van Mij, werkers der ongerechtigheid” ( Mt. 7, 22. 23 ).

Wij moeten bedenken dat de genaden die God ons in de Kerk om niet schenkt, ons niet worden gegeven voor niets. „Wij vermanen u Gods genade niet vruchteloos te ontvangen” ( 2 Kor. 6, 1 ). De Heer verwacht vruchten van zijn wijngaard en winst van zijn talenten. Hij wil dat de veelvuldige communie ons niet enkel zoetheid van devotie bewerkt, maar ook een grotere gelijkvormigheid met de lijdende Christus. De eucharistie heeft deze zalige uitwerking uit eigen kracht, wanneer er van onze zijde geen beletselen worden gesteld. Wordt derhalve onze naastenliefde in de praktijk van het leven niet groter, dan kunnen wij concluderen dat deze gift van Gods liefde aan ons slecht is besteed. Hij verlangt dat de onschatbare gave van de Geest, die aan elke gelovige wordt geschonken, door ons geloof, door onze innerlijke aandacht en volgzaamheid vruchtbaar wordt in werken van liefde en verkondiging van het woord. Beantwoordt de realiteit van ons leven aan dit verlangen? Komt het steeds meer onder de invloed te staan van de inwendige leiding en de sterke bezieling van de goddelijke Geest?

2. Zo biedt zelfs de charismatische verbondenheid met Christus ons geen garantie ter zaligheid. Hoeveel te minder dan het uiterlijk behoren tot de Kerk alleen of het dragen van toog en habijt op zich genomen! Zelfs een leven dat door Gods liefdevolle voorzienigheid (en daardoor alleen) van grote zonden bevrijd is, mag ons niet in waakzaamheid doen verslappen. Want „wie meent te staan zie toe dat hij niet valle” ( 1 Kor. 10, 12 ). De bekering des harten, het „doen van de wil des Vaders” , het „zich van alles onthouden” , het „kastijden van het lichaam” om het hemelrijk, om het ene noodzakelijke, dat is het wat God van ons eist. En bedenk ten slotte dat hoe meer genaden wij hebben ontvangen, des te strenger ons oordeel zal zijn. Dit geldt voor allen. En het geldt heel bijzonder voor de godgewijde zielen, voor priesters en kloosterlingen. „Van ieder aan wie veel werd geschonken, zal veel worden teruggevraagd. En van hem, wie veel werd toevertrouwd, zal des te meer worden geëist” ( Lk. 12, 48 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *